De methode van aanleg van de grasbekleding is bepalend voor de samenstelling en structuur van de dijkvegetatie die zich op termijn ontwikkelt. Onder aanleg verstaan we:

  1. het aanbrengen van de deklaag, bestaande uit toplaag en onderlaag die de groeiplaats vormen en weerstand bieden tegen erosie ;
  2. de inzaai van de toplaag met de gewenste samenstelling;
  3. het ontwikkelingsbeheer in de eerste 4 jaar na aanleg van de dijk zodat de afzonderlijke planten ineengroeien tot een gesloten vegetatie [TAW, 1999].

Naast de bodemsamenstelling en voedingsstoffen zijn ook de helling en expositie t.o.v. de zon van invloed op de uiteindelijke samenstelling van de dijkvegetatie. De aanleg en ontwikkeling van bloemdijken stelt nog eens extra speciale eisen aan de samenstelling van de toplaag, de inzaai en het ontwikkelingsbeheer. De aanleg kan plaatsvinden in de vorm van een innovatief ontwerp. Voor een optimaal resultaat moet de opdrachtgever voor werkzaamheden richtlijnen opstellen richting aannemer met een nauwgezette beschrijving van het bestek en de bestekseisen.

Veel waterkeringbeheerders kampen met de vraag welke inzaaimengsels het meest geschikt zijn voor hun dijken, welke inzaaimethode het beste resultaat oplevert en wanneer moet worden ingezaaid. Helaas is hier nog geen protocol voor beschikbaar.

Onderstaand gaan we in op:

  • Samenstelling toplaag
  • Ontwerpinstrumentarium
  • Onderhoudseisen

Op andere pagina’s behandelen we:

Aanleg toplaag 2 (WSRL)

Aanleg toplaag 2 (WSRL)

Samenstelling toplaag voor ontwikkeling vegetatie

De samenstelling van de afdeklaag (top+onderlaag) moet altijd voldoen aan het ontwerpinstrumentarium. Onderstaande informatie is gericht op goede omstandigheden voor het ontwikkelen van (kruidenrijke) vegetatie en goede doorworteling.

Sýkora&Liebrand [1987] adviseren dat het materiaal van de toplaag bij voorkeur moet bestaan uit matig lichte zavel of uit een lichtere grondsoort, maximaal een zware zavel met een lutumpercentage van 25%. Verschillende plantensoorten, en met name de zeldzamere, hebben een voorkeur voor dit lichte, lutumarme substraat.

De TAW adviseert in 1999 dat de grond in de zode een zandgehalte van maximaal 50% mag bedragen. Praktijk en proeven hebben uitgewezen dat ook gasmatten op grond met hogere zandgehalten goed erosiebestendig kunnen zijn. Op voedselarme grond kan de best doorwortelde zode met de grootste erosiebestendigheid ontstaan. Op voedselrijke grond vraag het verkrijgen van zo’n zode veel moeite en tijd. TAW adviseert een vettere onderlaag en voedselarme, zandiger toplaag met een dikte van 0,25 m (0,15-0,35 m). In 1998 omschrijft de TAW die laag met de classificatie ‘categorie 3’, met een zandgehalte van maximaal 50% (p. 10). Helpdesk water formuleert een aanvullende eis hierop: voor klei categorie 3 geldt een aanvullende eis: > 8% lutum om te voorkomen dat zand als klei categorie 3 kan worden betiteld.

In [RWS 2012] staat een beschrijving van de toplaag die uit materiaal mag bestaan dat ‘niet geschikt is als kleibekleding’:

“In de categorie ‘niet geschikte grond’ komen grondsoorten voor die door bijvoorbeeld een hoog gehalte aan wortels (zodegrond) of hoge ijzergehalten niet geschikt zijn voor gebruik als bekledingsklei. Zodegrond kan hooguit als dunne deklaag voor het aanslaan van grasbegroeiing worden toegepast op de kleibekledingslaag. De derde categorie grond is ongeschikt voor toepassing bij een dijkontwerp op plekken waar wordt gerekend op de erosiebestendigheid van de kleilaag. Dit kan bijvoorbeeld zijn in de golfklapzone op het buitentalud van rivierdijken. Het is niet zo dat bij een veiligheidstoetsing een dijk automatisch wordt afgekeurd als een dergelijke grond in de grasbekleding zit. Het is namelijk goed mogelijk dat de toplaag voldoende sterkte heeft. Een treffend voorbeeld is de met de golfoverslagsimulator beproefde Vechtdijk, die volledig uit zand bestaat, en zeer goed bestand was tegen een golfoverslagbelasting” (blz. 13-14).

Op blz. 24 staat vervolgens: “Voor aanleg van grasbekleding wordt aanbevolen voor de grond een zandgehalte lager dan 40 % te hanteren. Praktijk en proeven hebben uitgewezen dat grasmatten op grond met hogere zandgehalten vaak een relatief hoge erosiebelasting kunnen doorstaan, maar er is een tweetal redenen waarom een beperkt zandgehalte wordt aanbevolen voor aanleg:

  1. Eén reden is dat zand in grond slechts deels homogeen verdeeld is en een belangrijk deel van het zand in kleinere of grotere laagjes en insluitingen voorkomt en wel meer met toenemend zandgehalte. Deze laagjes en insluitingen kunnen het gedrag van de klei sterk nadelig beïnvloeden. Omdat zandgehaltes in het algemeen worden bepaald op mengmonsters, komen zandinsluitingen en laagjes niet tot uiting bij de beoordeling van een aangeboden hoeveelheid grond.
  2. Een tweede reden is de beperking van zandgehalte om grondgedrag te karakteriseren. Zand wordt gedefinieerd op basis van de korrelgrootte die een indicatie geeft voor het fysieke gedrag, maar er komen in Nederland ook grondsoorten voor met gedrag als zand, maar met een relatief gering zandgehalte. Een maximalisering van het zandgehalte van 40% sluit deze grond uit.

Indien bij dijkaanleg of dijkverzwaring voor een bekleding met een stevige (vette) klei is gekozen, dan wordt het toepassen van een teeltlaagje van schrale (zandige) klei aanbevolen voor een betere ontwikkeling van de grasbekleding. De zwakte van het eerste seizoen kan worden ondervangen door de erosiebestendige klei voor de eerste winter te verdichten en glad af te werken, om vervolgens de teeltlaag van zandiger klei in het voorjaar aan te brengen. Bij het aanbrengen van een dergelijke teeltlaag is aandacht voor de aansluiting met de onderliggende laag van belang, omdat de hechting tussen twee gladde vlakken slecht is. Opruwen van de onderliggende laag onmiddellijk voorafgaand aan het aanbrengen van de teeltlaag is daarom van belang. Na inzaaien kan het talud glad worden afgewerkt wat het kiemen van het zaad ten goede komt en de schrale klei minder gevoelig maakt voor erosie door regenval. Dit neemt niet weg dat de grasbekleding in alle gevallen enkele seizoenen relatief kwetsbaar is.”

Ontwerpinstrumentarium

Op de Helpdesk Water is meer te vinden over het ontwerpinstrumentarium.

Eisen die het ontwerpinstrumentarium stelt, zijn te vinden in de Handreiking Ontwerpen met overstromingskans [RWS, 2017]. Hoofdstuk 3 van die handreiking gaat in op eisen aan de grasbekleding op het binnentalud in relatie tot het overslagdebiet. Er staan bepalingen over kleidikte, geslotenheid van de zode en aanwezigheid van objecten met een grensmaat van 0,15×0,15 m2.

Onderhoudseisen

Houd ook rekening met de inrichting van de waterkering:

  • Staan er geen obstakels in de weg?
  • Is het talud niet te steil?
  • Hoe scherp zijn kniklijnen en overgangen en ontstaat hier het risico van beschadiging aan de grasmat?
  • Kunnen maaimachines de dijk op- en afrijden, zijn er op- en afritten?
  • Is er onderlangs een onderhoudsstrook voor verzamelen en afvoeren van maaisel?
  • Komen er geen wegdrainages in het talud uit die natte plekken opleveren?

Natte plek op binnentalud bij drainuitmonding uit wegcunet

Talud met dichtgegroeide onderhoudsstrook

Smalle oprit met scherpe kniklijn leidt tot schade

Trap zonder leuning (WVV)

Trap zonder leuning (WVV)

Trap zonder leuning (WVV)

Trap zonder leuning (WVV)