Inzaai van dijken is het aanbrengen van zaden op een recent aangelegde of verbeterde toplaag. Inzaai kan plaatsvinden met zadenmengsels maar ook door het uitleggen van maaisel waaruit vervolgens de zaden vrijkomen en terecht komen op de ondergrond.

Doorzaai is het inbrengen van zaden op een langer bestaande dijk en/of in een vegetatie die niet voldoet. Het doel van doorzaaien is het aanbrengen van soorten die je wilt hebben, of het herstellen van plekken die niet voldoen.

Inzaaien en doorzaaien kunnen zowel oppervlakkig worden uitgevoerd (uitstrooien van los zaad boven op de toplaag) als door het inbrengen van het zaad in de toplaag. Bij doorzaai is het belangrijk dat de bekleding kort is gemaaid en dat er geen pollen of kruidachtigen het zaaien belemmeren. Welk inzaaimengsel wordt toegepast op nieuwe en verbeterde dijken wordt grotendeels bepaald door de civieltechnische doelstelling van de in te zaaien soorten (snelle sluiting van de grasbekleding).

We gaan onderstaand in op de aspecten waar de beheerder op moet letten:

  • de zaaibedbereiding
  • de methode van inzaai
  • de inzaaidiepte
  • tijdstippen maart en september
  • aspecten als hij zaait opminder geschikte tijdstippen
  • problemen bij inzaaien

Op een andere pagina lees je meer over inzaai of doorzaai na de zomer.


Verbanden met andere menu’s:

De waterkeringbeheerder kan besluiten een bepaald zadenmengsels toe te passen op onderdelen van de dijk om ook een andere functie dan alleen de waterstaatkundige te dienen (bv. bloemdijk).

De in te zaaien soorten dienen te worden aangepast aan:

  • het gewenste vegetatiebeeld;
  • de toekomstige beheervorm.

Vanaf het moment van aanleg worden de nieuwe dijken gecontroleerd waarbij onder meer het kiemings- en vestigingssucces wordt gevolgd. De beheerder monitort of de erosiebestendigheid snel tot stand komt en de doelvegetatie zich ontwikkelt. De inspectie richt zich op ongewenste situaties: kale plekken, ongewenste soorten en dergelijke.

Aanleg toplaag (WSRL)

Aanleg toplaag (WSRL)

Zaaibedbereiding

Voor een zo goed mogelijk kiem- en vestigingssucces is het van belang aandacht te besteden aan een goede zaaibedbereiding. De zaaibedbereiding vindt meestal plaats door middel van het oppervlakkig opruwen van de bodem met behulp van een rotorkopeg. Op slempgevoelige gronden mag het zaaibed niet te fijn worden gemaakt omdat anders verslemping en korstvorming kan optreden die de kieming en vestiging kan verhinderen.

Methode van inzaai

Er zijn verschillende methoden van inzaai die elk hun voordeel hebben.

(deze tabel moet nog verder worden uitgewerkt)

Methode Voordelen Nadelen
Machinaal inzaaien ?? ??
Machinaal doorzaaien ?? ??
Handmatig inzaaien ?? ??
Combinatie van machinaal en handmatig ?? ??
Hydroseeding Vooral op steilere, erosiegevoelige taluds ??
Eggen kale grond (foto WSRL)

Eggen kale grond (WSRL)

Inzaaidiepte

De beste inzaaidiepte is voor de meeste gewassen 1 tot 2 cm. Er zijn echter ook lichtkiemers, zoals veldbeemdgras of kruiden zoals Reukloze kamille of Peen, die zonlicht nodig hebben om tot kieming te komen. De zaden van deze soorten kunnen het beste handmatig worden ingezaaid. Hierbij bestaat wel en gerede kans op zaadverlies als gevolg van vogelvraat en wind. Wanneer de zaden van de lichtkiemers onder de grond worden aangebracht is de kans op kieming klein en kan de verhouding van soorten in het uieindelijke grasbekleding anders uitpakken. Zo kan Engels raaigras dominant worden, doordat deze dieper onder de grond nog kunnen kiemen.

Daarnaast is ook de grondsoort waarin wordt gezaaid belangrijk voor de inzaaidiepte. In zware (rivier)klei moet veel ondieper worden gezaaid dan in de lichte zandgrond. Te diep zaaien in kleigrond kan veroorzaken dat er niets opkomt doordat de kiemen niet krachtig genoeg zijn om door de vaste klei te groeien. Te ondiep zaaien in zandgrond kan veroorzaken dat het zaad bij de eerste de beste regenbui wegspoelt of dat het gekiemde zaad verdroogt.

De meest toegepaste methode is machinaal inzaaien met behulp van een brede zaaimachine met veel zaaipijpen naast elkaar. Voor de zaaipijpen zit een sleuventrekker die de grond een stukje opzij legt. Het zaad valt via de zaaipijp in de sleuf op de grond. Vervolgens wordt met zaaikouters een laagje grond op het zaad gebracht en wordt de grond aangedrukt met een drukrol. De sleuf wordt zo diep getrokken dat op een vaste ondergrond gezaaid wordt.

Zaaien 2 (HHNK)

Zaaien 2 (HHNK)

Zaairij (EurECO)

Zaairij (EurECO)

Inzaai in maart

Het voordeel van inzaai in maart is dat er een lange (zomer-)periode volgt waarin de gekiemde soorten zich duurzaam kunnen vestigen. Er is voldoende tijd voor de ontwikkeling van het wortelstelsel voor de voedsel- en vochtvoorziening. Bovendien kunnen de ingezaaide soorten nog in hetzelfde jaar tot bloei en zaadzetting komen waardoor het aantal exemplaren van de ingezaaide soorten (sterk) kan toenemen.
Een nadeel van inzaai in maart kan zijn dat in een (extreem) droge periode in de zomer veel recent gekiemde en nog relatief zwakke soorten kunnen verdrogen en uitvallen. Onder dergelijke omstandigheden bestaat het gevaar dat aanwezige, minder gewenste pioniersoorten als Koolzaad en Raapzaad zich kunnen vestigen en zich snel kunnen vermeerderen.

Inzaai in september

Bij inzaai in september wordt geprofiteerd van de nog relatief hoge temperatuur van de toplaag, relatief hoge luchttemperaturen en een relatief hoge vochtvoorziening terwijl het risico op verdroging gering is. Een nadeel van inzaai in september kan zijn dat in een (extreem) koude periode in de winter veel recent gekiemde en nog relatief zwakke soorten kunnen uitvallen waardoor de bedekking van de bodem door de vegetatie sterk afneemt. Hierdoor kan een erosiegevoelige situatie ontstaan.

Inzaai op minder geschikte tijdstippen

Tegenwoordig mag bij veel waterkeringbeheerders het hele jaar door worden gewerkt aan vernieuwing en verbetering van dijken. Hierdoor komen taluds gereed op diverse tijdstippen in het jaar waardoor ook inzaai buiten de maanden maart en september moet plaatsvinden. Inzaai in maanden anders dan maart of september leidt in het algemeen tot een minder kiemresultaat en een verhoogde uitval van kiem- en jonge planten. Dit kan worden gecompenseerd door een hogere inzaaidichtheid (meer kg per ha) en een aangepast inzaaimengsel (andere verhouding van soorten en andere soorten op basis van de kiemkracht van de soorten). Inzaai laat in het jaar vergt plantensoorten die ook bij lagere temperatuur kunnen kiemen. Op websites van leveranciers is hier meer informatie over te vinden. Omdat we vanuit de waterkeringbeheerders nog geen onderzoek hebben gedaan naar het succes van deze mengsels op waterkeringen, kunnen we hier geen oordeel over geven.

Problemen met inzaaien

Direct na aanleg en inzaai kunnen zich problemen voordoen waardoor het ingezaaide mengsel niet of onvoldoende aanslaat. De vegetatie blijft te open en er ontstaat een erosiegevoelige situatie. De problemen kunnen ontstaan door:

  • een niet geschikte toplaag (te licht of te zwaar, te sterk verdicht, te voedselarm, te droog, te nat);
  • een verkeerd inzaaimengsel of een mengsel dat in de machine is ontmengd (zie ook ‘scheve ontwikkelingen’);
  • een verkeerd inzaaitijdstip;
  • een verkeerde inzaaimethode (te diep).

Ook de invloed van de omgeving speelt een rol: recreanten, werkzaamheden door derden, zoutinvloed, enz.

Een open vegetatie biedt ruimte voor kieming en vestiging van ongewenste pioniersoorten als Koolzaad en Raapzaad. Daarom moeten recent ingezaaide dijken regelmatig bezocht worden zodat vestiging van ongewenste soorten zo snel mogelijk wordt waargenomen en vervolgens actie kan worden ondernomen.

Scheve ontwikkeling tussen grassen en kruiden

Door trillen en schudden van de zaaimachine kunnen de zaden van het inzaaimengsel in de zaadbak ontmengen: het ene type zaad zakt naar onderen, het andere trilt omhoog.. Dit komt door verschillende gewichten en vormen van de zaden. Dit leidt tot een vlaksgewijze ongelijke inzaai waardoor lokale monoculturen van Engels raaigras en Witte klaver kunnen ontstaan (vooral bij inzaai van D1).
Ook als gevolg van verschillend kiemsucces kunnen bepaalde soorten massaal opkomen ten koste van de overige ingezaaide soorten. Bij een inzaaiverhouding grassen: kruiden van 90:10 kan het daardoor toch gebeuren dat de kruiden gaan overheersen.