Kieming gaat over het eerste ontstaan van een plant.

We gaan onderstaand in op:

  • Kiem en vestigingssucces
  • Verhoging van kiem- en vestigingssucces
  • Natuurlijke risicospreiding bij kieming
  • Kiemen en voedingstoestand
  • Kiemen en organisch stofgehalte

Jonge zode eerste jaar goede vestiging (WSRL)

Jonge zode, eerste jaar goede vestiging (WSRL)

Jonge zode, eerste jaar slechte vestiging (WSRL)

Jonge zode, eerste jaar slechte vestiging (WSRL)

Kiem- en vestigingssucces

Onder invloed van licht, warmte en vocht kiemt het zaad. Kiemen betekent, net als ontkiemen, het vormen van een nieuw plantje uit een plantzaadje. Voor de ontwikkeling van dit kiempje naar een volwassen plant is de juiste standplaats en zijn de juiste en voldoende voedingsstoffen nodig.

De kieming van de zaden is onafhankelijk van de voedingsstoffentoestand van de toplaag. Zaad komt dus vrijwel altijd uit als er vocht aanwezig is. Na kieming is een goede voedingsstoffentoestand echter essentieel voor vestiging en ontwikkeling van het wortelstelsel en de bovengrondse delen van de ingezaaide grassen en kruiden. De mate en snelheid waarmee de gewenste soort of vegetatie zich ontwikkelt na inzaai noemen we het kiem- en vestigingssucces.

Verhoging van kiem- en vestigingssucces

Een eenmalige, uitgekiende startbemesting kan het kiem- en vestigingssucces sterk verhogen. De hoeveelheid en verhouding van de benodigde meststoffen moet worden bepaald met behulp van bodemonderzoek. Zo kan een eenmalige stikstofgift, bij een tekort aan stikstof in het bodemmateriaal, een teveel aan Witte klaver op korte termijn doen verminderen. In de toekomstige Handreiking Grasbekleding 2.0 wordt verder ingegaan op optimale bemestingswaarden bij verschillende streefbeelden.

Natuurlijke risicospreiding bij kieming

Veel plantensoorten volgen bij kieming van nature risicospreiding. Dat wil zeggen dat direct na inzaai slechts een gedeelte van de zaden kiemt en de rest pas in een volgend seizoen of volgend jaar. Hierdoor wordt het risico op verdroging in de zomer of op uitvallen in een koude winterperiode beperkt.

Door zowel in maart als in september in te zaaien is de kans op succesvolle kieming en vestiging het grootst.

Resultaat inzaai met D2 op IJsseldijk (Eureco)

Resultaat inzaai met D2 op IJsseldijk (EurECO))

Resultaat inzaai met D2 op IJsseldijk (Eureco)

Resultaat inzaai met D2 op IJsseldijk (Eureco)

Ontwikkeling in droge klei (EurECO)

Ontwikkeling in droge klei (EurECO)

Kieming en voedingstoestand

De granulaire samenstelling en de voedingsstoffentoestand van de toplaag zijn van invloed op de kieming en vestiging van ingezaaide soorten of mengsels. Direct na kieming gaan de plantenwortels op zoek naar vocht en voeding. De mate van beschikbaarheid hiervan bepaalt of de kiemplanten overleven en met welke snelheid ze zich kunnen ontwikkelen. Hierbij speelt ook de aanwezigheid van organisch materiaal een rol in het vasthouden van vocht, het mogelijk maken van doorworteling en het verschaffen van voedingsstoffen. Of een bodem geschikt is voor toepassing als toplaag kan het beste worden onderzocht door middel van een gestandaardiseerd bodemonderzoek.

Als uit het bodemonderzoek blijkt dat het voedingsstoffenniveau te laag is of de verhouding van de nutriënten in de bodem niet juist is kan door een uitgekiende startbemesting de ontwikkeling van de vegetatie worden bevorderd.

Kieming en organische stofgehalte

Voor kieming en vestiging van de ingezaaide soorten moet een zeker organische stofgehalte aanwezig zijn. Bodemonderzoek voorafgaand aan de inzaai kan dit duidelijk maken. Als uit het bodemonderzoek blijkt dat organisch materiaal ontbreekt of het organische stofgehalte te laag is kan door een uitgekiende startbemesting met een organische component de ontwikkeling van de vegetatie worden bevorderd. Ook kan een aantal klepelbeurten in het eerste of tweede jaar na aanleg zorgen voor verrijking met organisch stof. Het heeft in dat geval niet veel zin om soorten die gevoelig zijn voor deze vorm van beheer in te zaaien. Bij ontwikkelingsbeheer meer hierover.