Bepaalde factoren hebben grote invloed op het ontwikkelen van een gewenste grasbekleding. De beheerder moet zich hiervan bewust zijn om de investeringen niet verloren te laten gaan. Of om aanvullende beheerinspanning te voorkomen. Op andere pagina’s is gedetailleerde informatie te lezen over standplaatsomstandigheden en processen binnen dijkflora. Hier passen we enkele van die factoren toe op de aanleg.

Relatie vegetatie, zadenmengsel en bodem

Het inzaaimengsel moet worden afgestemd op de standplaats en bodemsamenstelling. Nog optimaler wordt het als de beheerder rekening houdt met de natuurlijke aanwezigheid van planten in de omgeving. Voor gedetailleerde uitleg, zie Standplaatsomstandigheden. Vermijd floravervalsing.

Algemene resultaten:

  • Op een kleirijke, voedselrijke bodem ontwikkelt zich in het algemeen een relatief hoog opgaande vegetatie met een relatief hoge biomassaproductie.
  • Een inzaaimengsel met concurrentiekrachtige, vooral algemene soorten is hier op zijn plaats.
  • Op een lichte bodem (laag lutumgehalte) ontwikkelt zich in het algemeen een laagblijvende vegetatie met een relatief lage biomassaproductie. Een inzaaimengsel met laag blijvende, minder concurrentiekrachtige soorten die passen bij het streefbeeld en de gekozen beheervorm kan hierop worden toegepast.
  • Zanddijken hebben kenmerkende soorten die tegen schrale en droge omstandigheden kunnen.
  • Veenkades huisvesten ook eigen flora, vaak in samenhang met de langsliggende oever.

Hierdoor geldt het principe van relatieve soortenrijkdom. Investeer daarom niet in dure mengsels die een kleine kans van slagen hebben omdat die thuishoren op een andere bodem. Bedenk ook dat het ontwikkelen van een vegetatieoptimum op een bepaalde bodem vele jaren vergt.

Ook speelt deze relatie een rol bij hergebruik van de toplaag. Vanouds werd de natuurlijke samenstelling van de vegetatie in hoge mate bepaald door een toplaag van lokaal gewonnen materiaal en lokaal verspreidend zaad. Na grootschalige versterkingsrondes is dat verschil grotendeels verloren gegaan. Zie ‘natuurlijke bodemspreiding’.

Concurrentie

Plantensoorten concurreren om ruimte, licht, voedingsstoffen enz. Iedere plant heeft zijn eigen strategie en plek in een ontwikkeling van de vegetatie. Bij de aanleg van een dijkgrasland moet de beheerder daarmee rekening houden. De keuze voor prachtig bloeiende pionierssoorten in een zaadmengsel op een maagdelijk substraat, kan leiden tot een uitbundige maar ongewenste ontwikkeling van soorten die niet bijdragen aan de erosiebestendigheid.

Binnen een gesloten grasbekleding die door grasblad wordt gedomineerd, krijgen kruiden minder makkelijk voet aan de grond. Grassen hebben bij de kieming en ontwikkeling een voorsprong op de kruiden. Veelal moeten die dus profiteren van openingen, die soms kunnen ontstaan door molshopen of rijsporen, of door een kortdurende intensieve begrazing met schapen waarbij de zode wordt opengetrapt.

De beheerder moet inzicht hebben in deze ‘strijd’ om daar goed op te kunnen sturen. Het kan een strategische keuze zijn om eerst toe te werken naar een relatief soortenarme maar redelijk, niet hermetisch gesloten zode waarin later andere soorten een plek kunnen krijgen. Of voor een soortenrijker mengsel waarbij het ontwikkelbeheer meer aandacht vraagt en de periode tot gesloten zode mogelijk iets langer duurt.
Bij de zadenmengsels staan voorstellen om hierin een balans te zoeken.

Kiemen, kiemfactoren en risicospreiding

Onder invloed van licht, warmte en vocht kiemt het zaad. Kiemen, of: ontkiemen, is het ontstaan van een nieuw plantje uit een plantzaadje. De kieming van de zaden is onafhankelijk van de voedingsstoffentoestand van de toplaag. Zaad komt dus vrijwel altijd uit als er vocht aanwezig is.

Voor de daaropvolgende vestiging en ontwikkeling van het wortelstelsel en de bovengrondse delen is een goede granulaire samenstelling en voedingsstoffentoestand essentieel. Direct na kieming gaan de plantenwortels op zoek naar vocht en voeding. De mate van beschikbaarheid hiervan bepaalt of de kiemplanten overleven en met welke snelheid ze zich kunnen ontwikkelen. Hierbij speelt ook de aanwezigheid van organisch materiaal een rol in het vasthouden van vocht, het mogelijk maken van doorworteling en het verschaffen van voedingsstoffen. De mate en snelheid waarmee de gewenste soort of vegetatie zich ontwikkelt na inzaai noemen we het kiem- en vestigingssucces.

Of een bodem geschikt is voor toepassing als toplaag kan het beste worden onderzocht door middel van een gestandaardiseerd bodemonderzoek. Als uit het bodemonderzoek blijkt dat het voedingsstoffenniveau of organisch stofgehalte te laag is of de verhouding van de nutriënten in de bodem niet juist is, kan door een uitgekiende startbemesting met eventueel een organische component de ontwikkeling van de vegetatie worden bevorderd. Denk daarbij aan alternatieven: ook een beperkt aantal klepelbeurten in het eerste of tweede jaar kan zorgen voor verrijking met organisch stof. Maar die kunnen weer strijdig zijn met het ontwikkelen van soortenrijke bekledingen. Het heeft in dat geval geen zin om soorten die gevoelig zijn voor deze vorm van beheer in te zaaien. Klepelbeheer mag niet te lang duren omdat anders de nadelen daarvan gaan optreden.

Veel plantensoorten volgen bij kieming van nature risicospreiding. Dat wil zeggen dat direct na inzaai slechts een gedeelte van de zaden kiemt en de rest pas in een volgend seizoen of volgend jaar.

Zaad doorloopt een biologisch-chemisch proces voordat het tot ontwikkeling komt. Zo zijn er zaden die eerst moeten narijpen, andere hebben een dikke zaadhuid, die pas na maanden doorweekt raakt en openbarst. Bij weer andere soorten lossen kiemremmende stoffen in de zaadmantel geleidelijk op [Vermeulen, 2008].
Plantensoorten zijn daardoor in te delen in voorjaarskiemers en najaarskiemers. Maar ook in lichtkiemers (zaad op maaiveld) en niet-lichtkiemers (zaad in de zode). Oorzaken van de spreiding zijn de triggers (stimuli) die zaden tot ontwikkeling doen komen:

  • koude of warmte
  • zonlicht (rood of verrood licht) of afdekking met grond
  • vocht en droogte.

Het tijdstip van zaaien beïnvloedt ook op een andere manier de kans op succes. Zaaien in het voorjaar levert nog een lang groeiseizoen op, maar ook kans op zomerse hitte en droogte. Zaaien in het najaar heeft dat risico minder, maar levert ook een minder sterkte mat in de winter. Laat zaaien vertraagt het kiemen door lagere temperaturen. Omdat een aantal soorten kunnen worden ingedeeld bij voorjaars- of najaarskiemers levert spreiding van zaaitijdstip ook een grotere kans op succes voor soortenrijkdom op.
Door kruiden in twee fasen zowel in maart als in september in te zaaien is de kans op succesvolle kieming en vestiging groter.
Zie strategie, diepte en tijdstip.