Wanneer een soortenrijke bloemdijk moet worden verbeterd, kunnen de volgende maatregelen worden getroffen om de soortenrijke dijkvegetatie zo goed mogelijk te behouden [Liebrand, 1999].

Uit langlopend onderzoek aan een proefdijk bij Zaltbommel bleek dat na de dijkverbetering 98% van de plantensoorten van de oorspronkelijke vegetatie blijvend was teruggekeerd nadat onderstaande maatregelen waren toegepast.

We gaan onderstaand in op:

  • sparen van (deel van) talud en de dijk bijvoorbeeld slechts aan één zijde verbeteren;
  • steken van complete zoden en deze hergebruiken als nieuwe toplaag;
  • zodegrond afgraven en hergebruiken als nieuwe toplaag;
  • zaden winnen uit oorspronkelijke vegetatie en deze gebruiken voor inzaai of doorzaai na dijkverbetering;
  • een goed ontwikkelingsbeheer (0-4 jaar) van bloemdijken
  • een goed instandhoudingsbeheer (> 4 jaar)
  • een goed herstelbeheer wanneer dat nodig is.

Sparen van (deel van) talud

Het sparen van (een deel van) een talud biedt de beste garantie voor het behoud van de soortenrijke bloemrijke dijkvegetatie. Vanuit dit (deel van het) talud kunnen de afzonderlijke gras- en kruidensoorten zich vervolgens via een slim maai- of beweidingsregime verspreiden over de aanliggende, verbeterde delen van de dijk. Van belang hierbij is dat eventuele aanvulling van de toplaag gebeurt met bodemmateriaal met min of meer dezelfde granulaire samenstelling en voedingsstoffentoestand als de oorspronkelijk toplaag.

Steken van zoden en deze hergebruiken als nieuwe toplaag

Door uit de oorspronkelijke taluds zodes te steken die tijdelijk in depot staan, kunnen deze na de versterking op strategische plaatsen worden terug gezet. Het is wel van belang dat deze zodes:

  • of voldoende van omvang zijn, in oppervlaktes van 25m2 komt een representatief aantal soorten voor;
  • of de karakteristieke soorten herbergen;
  • in depot zo beheerd worden dat deze soorten in stand blijven, dus niet gestapeld, met een vergelijkbare expositie, gelijk onderhoud enz..

Zodegrond afgraven en hergebruiken als nieuwe toplaag

De toplaag bevat wortelstokken, bollen, knollen en zaden van de te behouden plantensoorten (vegetatieve voortplantingsorganen) Door de toplaag van het te verbeteren talud af te graven en deze zodegrond te hergebruiken als nieuwe toplaag is er een grote kans dat een groot aantal soorten uit de oorspronkelijke dijkvegetatie terugkeert op het nieuwe talud en op deze wijze behouden blijft.

Bij bewezen geschiktheid kan de oorspronkelijke deklaag worden hergebruikt als nieuwe toplaag. Het voordeel is dat het gaat om gebiedseigen materiaal en dat een zadenbron aanwezig is met micro-organismen.

Zaden winnen uit oorspronkelijke vegetatie en deze gebruiken voor inzaai of doorzaai na dijkverbetering

Win in het zomerseizoen voorafgaand aan de dijkverbetering zaden in van zoveel mogelijk plantensoorten uit de dijkvegetatie en gebruik deze zaden voor inzaai of doorzaai na de dijkverbetering. De kans is groot dat een groot aantal soorten uit de oorspronkelijke dijkvegetatie terugkeert op het nieuwe talud en op deze wijze behouden blijft.

Ontwikkelingsbeheer (0-4 jaar) van bloemdijken

Ontwikkelingsbeheer van nieuwe bloemdijken is gericht op:

  • ontwikkeling van een hoge soortenrijkdom;
  • ontwikkeling van een relatief lage biomassaproductie;
  • bestrijden van ongewenste (pionier)soorten die de ontwikkeling van een soortenrijke dijkvegetatie kunnen verhinderen.

De beheerder verkrijgt hoge soortenrijkdom in eerste instantie door op de juiste wijze in te grijpen in de concurrentieverhouding tussen de gras- en kruidensoorten. Daarna bevordert hij hoge soortenrijkdom door zoveel mogelijk soorten de kans te bieden om tot bloei en zaadzetting te komen. Een lage biomassaproductie bereikt hij door een optimaal beheer toe te passen waarbij beheermethode, -frequentie en -tijdstip een belangrijke rol spelen. Doel daarbij is het afvoeren van zoveel mogelijk eiwitten en nutriënten uit de bodem (verschralen) zonder dat dit ten koste gaat van zaadzetting en –verspreiding.

Instandhoudingsbeheer (> 4 jaar) van bloemdijken

Instandhoudingsbeheer op bestaande bloemdijken is gericht op:

  • in stand houden van de soortenrijkdom;
  • in stand houden van een relatief lage biomassaproductie.

Zie verder bij de instandhoudingsbeheer.

Herstelbeheer van bloemdijken

In de loop der tijd kan door allerlei omstandigheden een teruggang in soorten zijn. De beheerder kan kiezen voor herstelbeheer van bloemdijken. Dat is gericht op:

  1. verhoging van de soortenrijkdom;
  2. verlaging van de biomassaproductie;
  3. bestrijden van ongewenste (pionier)soorten die hebben geleid tot een achteruitgang van de soortenrijke dijkvegetatie.

Dit is maatwerk omdat de oorzaken van achteruitgang divers kunnen zijn:

  1. Teruggang in soortenrijkdom kan komen door verrijking van de toplaag met voedingsstoffen, verkeerd beheer (onjuist maaien (klepelen), verkeerd tijdstip maaien, goed tijdstip maar maaisel krijgt geen kans zaden af te zetten, intensieve of verkeerde beweiding).
  2. Toename van biomassa kan zijn ontstaan door bemesting.
  3. Pioniersoorten of andere ongewenste soorten hebben kans gezien zich in een schralere zode met een relatief open structuur (lage bedekkingsgraad) te ontwikkelen. De planten profiteerden van (gesleepte) molshopen of andere kale plekken.

Herstelbeheer begint dus met een goed onderzoek naar de oorzaak waarbij een goede bodembemonstering behulpzaam kan zijn.