Op de verschillende pagina’s zijn kansen en valkuilen voor een soortenrijke grasbekleding beschreven.

Hieronder staat een samenvatting.

De beheerder moet bij een tegenvallend resultaat eerst een goede analyse uitvoeren van het probleem voordat hij een behandelmethode kiest.

  1. Zaaien is maatwerk, geen sluitpost. Hoe specifieker het zaad is, hoe specifieker de inzaaimethode wordt. Ontwikkel een goede visie en stel een goed zaaiplan op in overleg met leverancier en uitvoerder.
  2. Op een kleirijke, voedselrijke bodem ontwikkelt zich in het algemeen een relatief hoog opgaande vegetatie met een relatief hoge biomassaproductie. Een inzaaimengsel met concurrentiekrachtige, vooral algemene soorten is hier op zijn plaats. Soortenrijke mengsels voor andere omstandigheden zijn niet aan te bevelen. Zeldzamere soorten zullen hier naar verwachting niet in voorkomen.
  3. Wanneer een soortenrijke, bloemrijke dijkvegetatie wordt nagestreefd is het van belang dat de toplaag bestaat uit een geschikte bodemsoort, bij voorkeur een lichte klei (zavel) met een relatief hoog zandgehalte. Deze zijn vaak soortenrijker.
  4. Op een lichte bodem (laag lutumgehalte) ontwikkelt zich in het algemeen een laagblijvende vegetatie met een relatief lage biomassaproductie. Een inzaaimengsel met laag blijvende, minder concurrentiekrachtige soorten die passen bij het streefbeeld en de gekozen beheervorm kan hierop worden toegepast.
  5. Op sterk zandige dijken worden vaak de zeldzamere plantensoorten aangetroffen. Op zandgronden moet worden gekozen voor soorten die goed kunnen tegen schrale en tijdelijk droge omstandigheden. Een zekere mate van organisch stof in de bodem verhoogt het vochtvasthoudend vermogen.
  6. Voor een gesloten grasbekleding is het nodig dat de juiste voedingsstoffen in juiste mate aanwezig zijn, vanwege de relatie met de probleemsoorten in de vegetatie.
  7. De keuze voor een bloemrijk mengsel in combinatie met de beheervorm standbeweiding is kapitaalbederf. De schapen zullen door de continue beweiding de meeste bloeiende bloemen wegvreten.
  8. De keuze voor een bloemrijk mengsel en een, aanvankelijk, intensievere maaifrequenties levert een vergelijkbare situatie op: de meeste kruidensoorten leggen het af tegen vaker maaien. Geleidelijk ontwikkelen van soortenrijkdom is dan raadzaam.
  9. Hoge zaaidichtheden (vanaf 70 kg/ha) van grassen in combinatie met kruidenrijke mengsels verkleinen de kans op vestigingssucces voor de kruiden door de concurrentiedruk van grassen.
  10. Streven naar de oorspronkelijke, regio gebonden vegetatie heeft alleen zin als het bodemmateriaal daarvoor geschikt is en aansluit bij die natuurlijke bodemspreiding. Om het verschil in soortensamenstelling te behouden wordt aanbevolen bij de inzaai ten behoeve van soortenrijke, bloemrijke dijken streekeigen inzaaimengsels te kiezen. Deze mengsels zijn beperkt verkrijgbaar maar hebben als voordeel dat de soorten erin optimaal zijn aangepast aan de standplaatsomstandigheden waarop ze worden toegepast.
  11. Inzaai van kruidenrijk mengsel op het onderhoudspad of de onderhoudsstrook waar intensiever wordt gereden is niet raadzaam. Bovendien wordt hier weleens het slootmaaisel of slootbagger gestort en opgehaald. Verdichting van de bodem, uitspoeling van nutriënten en geregeld overrijden door het materieel is geen succesfactor.
  12. Direct na aanleg en inzaai kunnen zich problemen voordoen waardoor het ingezaaide mengsel niet of onvoldoende aanslaat. De vegetatie blijft te open en er ontstaat een erosiegevoelige situatie. De problemen kunnen ontstaan door:
    • een niet geschikte toplaag (te licht of te zwaar, te sterk verdicht, te voedselarm, te droog, te nat);
    • een verkeerde inzaaimethode (te diep);
    • een verkeerde combinatie van gekozen soorten en substraat of inzaaitijdstip;
    • een mengsel dat in de machine is ontmengd;
    • overheersende soorten: als gevolg van verschillend kiemsucces kunnen bepaalde soorten massaal opkomen ten koste van de overige ingezaaide soorten. Bij een inzaaiverhouding grassen: kruiden van 30:70 kan het daardoor toch gebeuren dat de grassen gaan overheersen.
    • opkomende pionierssoorten die dominant worden door een hergebruikte toplaag waar die in aanwezig waren. Een open vegetatie biedt ruimte voor kieming en vestiging van ongewenste pionierssoorten als Koolzaad en Raapzaad.
    • ongunstige ontwikkelomstandigheden: recreanten, werkzaamheden door derden, zoutinvloed, enz.

Praktijkvoorbeeld

Waterschap Rivierenland heeft bij een dijkverbetering een Margrietenmengsel toegepast als bijmengsel bij D2.

Margrietenmengsel

  • Chichorei, Duizendblad,  Gewoon Reukgras, Glanshaver, Hopklaver, Kamgras, Korenbloem, Margriet, , Paarse morgenster, Pastinaak, Rode Klaver, Smalle Weegbree, Wilde peen, Zachte Dravik,  Zuring
  • Aangevuld met Klaproos voor een bloemrijk resultaat in het eerste jaar.

Dit Margrietenmengsel was op dat moment een prijsbewust mengsel met eenjarige soorten die direct in het eerste jaar al een leuk beeld met bloemen opleveren, soorten die geen specifieke eisen stellen aan de toplaag waardoor de kans op succes groter is. Het bevat geen ecologisch hoogwaardige soorten die tot hogere kosten en lagere succeskansen leiden. (bron: WSRL, Memo Inzaaien dijktaluds en bloemrijke mengsels, Combinatie dijkverbetering HOP, HOP-COR-00123, (niet publiek))

De ervaring bij het dijkversterkingsproject was dat in het eerste jaar er een uitbundig bloeiende kruidenvegetatie ontstond met een slechte grasmat. Er bleken soorten en variëteiten in het mengsel te zitten die niet op dijken thuishoren. Pas na (klepel) maaien en lokaal doorzaaien kwam de grasbekleding tot ontwikkeling. Na twee jaar ontstond ook op plekken waar niet was doorgezaaid een open tot gesloten zode.

Inzaai Margrietenmengsel, dominantie Klaproos (EurECO)

Inzaai Margrietenmengsel, dominantie Klaproos (EurECO)


Inzaai Margrietenmengsel, (EurECO)

Inzaai Margrietenmengsel, (EurECO)

Inzaai Margrietenmengsel, lage erosiebestendigheid (EurECO)

Inzaai Margrietenmengsel, lage erosiebestendigheid (EurECO)