Kijk ook bij Ecologische functie van waterkeringen voor fauna.

Er is nationale zorg voor het instandhouden van de insectenpopulatie in Nederland. Meer hierover vind je op de website over het Deltaplan Biodiversiteit en de Bijenstrategie. Waterschappen hebben zich via de Unie van Waterschappen aan de laatste verbonden. Een groot aantal waterschappen ondersteunt daarnaast regionale initiatieven. Daarover is meer te lezen in het document ‘Bed and Breakfast for Bees’.

Faunavriendelijke dijkbeheer zien we breder dan alleen maar bijvriendelijke beheer. De grasbekleding op dijken kan prima functioneren als leefgebied voor vele insectensoorten. Het geheel gaat dus om biodiversiteit. Hiervoor moet de grasbekleding aan een aantal voorwaarden voldoen:

  • bloeiende planten: bron van stuifmeel en nectar: niet maaien in bloeiseizoen;
  • zoveel mogelijk verschillende plantensoorten: planten tot bloei en zaadzetting laten komen;
  • zo lang mogelijke periode met bloeiende planten: gefaseerd maaibeheer / wisselbeweiding;
  • schuilgelegenheid: gefaseerd maaibeheer;
  • overwinteringsgelegenheid: in winter stukken laten overstaan (bijvoorbeeld rand langs onderhoudspad).

Bekijk de notitie Faunavriendelijke dijkbeheer.

Onderstaand gaan we verder in op:


Koninginnepage (EurECO)

Koninginnepage (EurECO)

Kleine Vos (EurECO)

Kleine Vos op Jakobskruiskruid (EurECO)

'n Blauwtje (EurECO)

‘n Blauwtje (EurECO)

Pilot waterschap Rijn en IJssel

Aan de hand van een pilot bij Waterschap Rijn en IJssel gaan we onderstaand verder in op bijvriendelijk beheer. We behandelen:

  • De keuze van dijkvakken en doelvegetatie
  • De voorwaarden voor de pilot

Keuze van dijkvakken en doelvegetatie

Sinds 2015 past Waterschap Rijn en IJssel op een aantal dijken bijvriendelijk dijkbeheer toe. Dit beheer is gericht op een optimale bloei van nectar- en stuifmeelplanten. Deze mogen niet voor de bloei worden gemaaid zodat bijen en andere insecten hier maximaal gebruik van kunnen maken. Bijvriendelijk dijkbeheer is automatisch ook gericht op de ander bloembezoekende insecten zoals zweefvliegen, kevers en (nacht-)vlinders.

De afgelopen jaren zijn er in het kader van de monitoring op de dijken in het beheergebied vegetatieopnames gemaakt van alle dijkvakken. Op basis van de vegetatiesamenstelling zijn alle 250 proefvakken ingedeeld in een van de vier kwaliteitsklassen goed, matig, slecht en zeer slecht . In het voorjaar van 2015 heeft Waterschap Rijn en IJssel een aantal dijkvakken aangewezen waar gedurende 3 jaar bijvriendelijk dijkbeheer wordt toegepast. Het betreft alleen dijkvakken die minimaal een matige kwaliteit maar veelal een goede kwaliteit hebben. Dit houdt in dat het om dijkvakken gaat met een matig tot goed ontwikkelde, soortenrijke en bloemrijke vegetatie. Waar alleen wordt gemaaid bestaat de vegetatie uit soortenrijk, bloemrijk hooiland (vegetatietypen H2 en H3), bij beweiding met schapen bestaat de vegetatie uit soortenrijke kamgrasweide (vegetatietypen W2 en W3).

Dus: alleen als één van de volgende vegetatietypen aanwezig is, mag bijvriendelijk beheer worden toegepast:

  • W2: kamgrasweide; matig soortenrijk
  • W3: kamgrasweide; soortenrijk
  • H2: hooiland; matig soortenrijk
  • H3: hooiland soortenrijk

In eerste instantie is bij de selectie van geschikte dijkvakken gezocht naar trajecten die zowel een geschikt binnen- als buitentalud hebben met een van de bovengenoemde vegetatietypen. Later is besloten het bijvriendelijk dijkbeheer alleen toe te passen op binnentaluds.

Voorwaarden

Bij dit bijvriendelijk dijkbeheer gelden de volgende voorwaarden:

  • De grasbekleding op de dijk moet erosiebestendig blijven om hoogwater te kunnen keren.
  • Verruiging moet worden voorkomen.
  • Alle vegetatie moet in het najaar worden gemaaid en worden afgevoerd, zodat het gras kort de winter in gaat. Dit is nodig i.v.m. inspectiemogelijkheden.
  • Het bijenbeheer op dijken creëert dus geen overwinteringsmogelijkheden voor bijen. Hiervoor moeten andere locaties worden gezocht in de nabijheid van de dijk.
  • Er moet sprake zijn van een bloemrijke vegetatie als voedselbron voor bijen.
  • Bijvriendelijk dijk beheer beoogt voedselvoorziening voor wilde- en honingbijen en overige insecten. Voor wilde bijen geldt dat er binnen een straal van 500 meter een overnachtingsplek moet zijn, voor honingbijen geldt een afstand van 5 km.
  • Er is voedselvoorziening nodig in de periode van maart tot september.
  • Er wordt ervaring opgedaan in dijkring 48 op dijkvakken die niet zijn verpacht, omdat een aangepast maairegime hier, i.v.m. eigen onderhoudsmaterieel, makkelijker inpasbaar is. De opgedane ervaringen worden gebruikt, als besloten wordt om bijvriendelijk beheer ook in andere dijkringen toe te passen.
  • Ongewenste soorten als Jakobskruiskruid, Heermoes en Gewone berenklauw worden in de eerste maaironde ook gespaard. Deze soorten mogen zich niet verder uitbreiden als gevolg van het gewijzigd onderhoud.
  • In 2015 wordt in de dijkvakken met bijvriendelijk beheer de vegetatiesamenstelling onderzocht (0-situatie) ten einde over 3 en 6 jaar vast te kunnen stellen wat het effect is van deze vorm van beheer waarbij de voorjaarsmaaibeurt wordt overgeslagen.

Het is (g)een bijzaak

In dit rapport [Braakman, 2018] geeft waterschap Vallei en Veluwe antwoord op de vraag “Hoe kan het beheer op de IJsseldijk worden aangepast ten behoeve van de uitbreiding van de voedselvoorziening voor wilde bijen?”

Het beheer op de IJsseldijk wordt gestuurd aan de hand van streefbeelden. Het grootste gedeelte van de dijk bestaat uit de vegetatie beschreven in streefbeeld Hooiland 2 (H2) en sporadisch komt de vegetatie van streefbeeld Hooiland 3 (H3) voor. H3 bevat meer verschillende plantensoorten en beschermt de dijk beter tegen erosie. Om de invloed van het beheer op de beschikbaarheid van dracht te bepalen zijn voor de streefbeelden de karakteristieke soorten bepaald.
Voor deze karakteristieke soorten is de bloeiperiode vastgesteld, dit loopt van ca. maart tot en met oktober. Aan de hand van de bloeiperiode kan de invloed van het huidige beheer en het bijvriendelijk beheer worden getoetst. Het huidige beheer op de IJsseldijk bestaat uit hooilandbeheer waar de vegetatie twee keer per jaar wordt gemaaid, hierbij wordt het gehele dijktraject in één keer gemaaid. Dit heeft als gevolg dat een groot deel van het jaar geen bloemen aanwezig zijn en er maar sporadisch dracht beschikbaar is. Dit terwijl continuïteit in dracht cruciaal is voor lokale bijenpopulaties. Ook wordt het streefbeeld H3 niet apart beheerd omdat dit een te kleinschalige aanpak vraagt. H3 kan beheerd worden met slechts een maaibeurt per jaar.

Om het beheer bijvriendelijk te maken, maar ook de waterveiligheid te waarborgen, wordt de dijk in vier stroken opgedeeld. Zowel binnen- als buitendijks wordt het talud opgedeeld tussen een boven- en ondergedeelte. Deze vier stroken worden allemaal twee keer in het jaar gemaaid: de onderste vlakken in begin mei en begin september, de bovenste vlakken begin juli en begin oktober.
Door de vlakken op deze momenten te maaien kunnen kruiden zich goed ontwikkelen in de grasvegetatie. Hierdoor neemt de kruidenrijkdom toe en kunnen de kruidensoorten zich blijvend vestigen op de dijk. Ook wordt door dit schema van maaien de continuïteit aan dracht gewaarborgd, doordat in de periode tussen de maairondes de gemaaide vlakken weer de kans krijgen om in bloei te komen. Hierdoor blijven er altijd bloemen aanwezig op de dijk. Door het maaien in stroken wordt het ook makkelijker om stukken H3 vegetatie apart te beheren. Ook dit vergroot de bloemenrijkdom op de dijk.

Soortenrijke en faunavriendelijke dijkgraslanden.

Malms heeft voor Waterschap Rivierenland een studie uitgevoerd om te bepalen welke dijkgraslanden in aanmerking komen voor gefaseerd maaien.

Malms doet in haar rapport een voorstel voor een beslisboom waarmee een beheerder kan bepalen welke graspercelen in aanmerking komen voor faunavriendelijk beheer, of biodiversiteit.

Ze doet dit via drie stappen:

  1. Bepaal de veiligheidsmarge: welke dijktaluds bieden ruimte voor ontwikkelingen o.b.v. golfhoogte en overslagnorm?
  2. Bepaal de ecologische waarden: waar zijn al waardevolle dijkvegetaties of bieden de standplaatsomstandigheden potentie hiervoor? Welke eisen stellen insecten aan de leefomgeving?
  3. Bepaal de ambitie: waar is de waterkeringbeheerder bereidt te investeren in ontwikkelingen?

Aan de hand van parameters die samenhangen met de drie keuzes kan de waterkeringbeheerder via een gisbewerking percelen opsporen die kansen bieden voor gefaseerd maaibeheer. Onderdeel hiervan is een businesscase waarin ze vier beheervormen met elkaar vergelijkt en scoort op o.a. kosten, kans op schade aan dijktaluds, het effect op de fauna en op maatschappelijke baten. De studie van Malms heeft een verkennend karakter, maar biedt een grote hoeveelheid bronnen en ideeën die verder kunnen worden uitgewerkt.

Soortenrijke en faunavriendelijke dijkgraslanden (Malms, 2019)

Beslisboom gefaseerd maaien voor de dijkbeheerder (Malms 2019)

Beslisboom gefaseerd maaien voor de dijkbeheerder (Malms, 2019)