De beheerder kan in zijn visie grofweg kiezen uit vier categorieën die leiden tot verschillende graslandtypes, A, B, C en D, met van A tot en met D afnemende LNC-waarden.

Golfoverslagproeven hebben geen aanwijzingen opgeleverd van een duidelijke relatie tussen de beheercategorieën A, B en C en de erosiebestendigheid van de grasbekleding. Vast staat wel dat beheercategorie D ongewenst is op een dijk.

Benadrukt wordt dat voor zones op dijken waar de hydraulische belasting hoog is, het beheer in eerste instantie moet worden gericht op het verkrijgen van een gesloten zode. Het nastreven van hoge LNC-waarden kan in zones op de dijk met een hoge belasting alleen, als dit naast de hoge LNC-waarde, eveneens een gesloten zode oplevert.

We behandelen:

  • Beheercategorie A: hoge natuurwaarde, goede doorworteling: maaien en beweiden zonder mestgift.
  • Beheercategorie B: lagere natuurwaarde, mindere doorworteling: lichte mestgift of gazonbeheer.
  • Beheercategorie C: geen natuurwaarde, slechte doorworteling: intensief gebruik, zware bemesting.
  • Beheercategorie B: slechte zode: achterwege blijven beheer, klepelen, grootvee of zeer zware bemesting.

Per categorie noemen we een aantal markante zaken.

Schematische weergave van graslandstructuur bij verschillende beheervormen [RWS, 2012]

Schematische weergave van graslandstructuur bij verschillende beheervormen [RWS, 2012]

Beheercategorie A

De tot categorie A behorende beheertypen kunnen leiden tot hoge natuurwaarde.

Hooien (beheertype met code HH-)

Jaarlijks twee keer maaien; afhankelijk van de productie kan meer of minder vaak worden gemaaid. Kenmerkend voor hooien is, dat na iedere keer maaien het maaisel wordt afgevoerd binnen 7-10 dagen om o.a. te voorkomen dat voedingsstoffen uit het maaisel spoelen.

Markante punten:

  • Voedselarme situaties als gevolg van lichte toplaag en lage voedselrijkdom: jaarlijks eenmaal maaien in het najaar.
  • Voedselarme situatie kan ontstaan bij jarenlang consequent hooilandbeheer met als gevolg dat de vegetatie (na ca. 10 jaar) relatief open wordt (bedekking ≤ 70 à 80%) (ongunstig ten aanzien van erosiebestendigheid).
  • Te open vegetatie als gevolg van maaibeheer: verbeteren door extensiveren van het maaibeheer (lagere frequentie: niet meer elk jaar tweemaal), door later maaien in het groeiseizoen waardoor minder bodemnutriënten worden afgevoerd met het maaisel of door (tijdelijk) maaisel laten liggen na een van de twee maaibeurten.
  • Te open, pollige grasbekleding: verdichten door middel van extra maaibeurt (bijv. juni, september en begin november: drie keer maaien per jaar met afvoer van het maaisel). Als alternatief van extra maaibeurt: (na)beweiden met schapen (1x per jaar, beheertype met code HW-) worden toegepast.
  • Op dijken met een niet te zware toplaag (lutumgehalte max. 25%) leidt hooilandbeheer na verloop van tijd tot een soortenrijk glanshaverhooiland.
  • Op een lichte toplaag is op lange termijn zelfs een ontwikkeling richting stroomdalgrasland mogelijk.
  • In het algemeen geldt dat met hooilandbeheer op dijken de hoogste natuurwaarde wordt bereikt.
  • Vaak gebruik van maairaap- of maaizuigcombinaties (in de strikte zin van het woord kan dan niet van hooien worden gesproken, maar het beheereffect (hier van belang) is wel hetzelfde).
  • Gebruik van maairaap- en maaizuigcombinaties is nadelig voor zaadintroductie vanuit de lokale vegetatie en voor de insectenfauna. Dit kan daarmee de ontwikkeling van hoge natuurwaarde in de weg staan.

Beweiden (beheertype met code WW-)

Periodiek of continu beweiden met schapen.

Markante punten:

  • Gemiddeld over de beweidingsperiode moet het aantal schapen afgestemd zijn op de biomassaproductie van het dijkgrasland.
  • Continue beweiding: beweiding gedurende gehele groeiseizoen (van half april tot half oktober) met een lage veedichtheid.
  • Periodieke beweiding (wisselbeweiding): meerdere malen kortdurende maar intensieve beweiding.
  • Grasbekleding moet, net als in het geval van andere beheertypen, kort (circa 5-10 cm) de winter in gaan en dan niet meer worden beweid tot het voorjaar.
  • Locaties waar de vegetatie niet is afgegraasd moeten worden bijgemaaid of gebloot.
  • Nabeweiding met weidesleep eventuele oneffenheden op het talud te egaliseren.
  • Weidebeheer op dijken met een niet te zware toplaag (lutumgehalte max. 25%) kan op lange termijn leiden tot een soortenrijke kamgrasweide.

Klein maaimaterieel (EurECO)

Klein maaimaterieel (EurECO)

Begrazing met een commerciële partner (WSRL)

Begrazing met een commerciële partner (WSRL)


Beheercategorie B

Tot categorie B behoren beheersvormen waarvan de doorwortelingsdichtheid in de toplaag niet zo hoog is als bij beheerscategorie A en met de diepte ook sneller afneemt. De natuurwaarde van deze en volgende categorieën is laag. Het beheer bestaat uit:

Aangepast agrarisch beheer (beheertype met code WW+)

Beweiding met schapen, continu of periodiek.

  • Lichte bemesting (tot 70 kg N per ha per jaar).

Markante punten:

  • Verschil met beheercategorie A is bemesting en grotere veedichtheden.
  • Deze vorm van schapenbeweiding vereist een nauwkeurig op de lokale situatie afgestemd beheerplan. De beweiding mag niet worden gericht op schapenteelt, maar moet gericht blijven op het beheer van een grasbekleding op een waterkering. De veedichtheid moet dan ook precies overeenkomen met de gewasproductie, zodat die geheel wordt afgegraasd.
  • Perioden van enkele weken intensieve begrazing moeten worden afgewisseld met rustperioden om voldoende herstel en hergroei van de grasmat te garanderen. Een gunstige bijkomstigheid is dat dergelijke rustperioden ruimte kunnen bieden voor vruchtzetting van grassen en kruiden. Dit betekent voortdurend omweiden naar andere percelen c.q. compartimenten.
  • Grasbekleding moet, net als in het geval van andere beheertypen, kort (tot 5-10 cm) de winter in gaan en dan niet meer worden beweid tot het voorjaar.
  • Aanvullend onderhoud is nodig: onbegraasde plekken en ruigten afmaaien (bloten, molshopen gladslepen. Bij grotere hoeveelheden maaisel moet dit worden afgevoerd.
  • Dit kan leiden tot een soortenarme kamgrasweide.
  • Doorworteling: dicht wortelpakket met veel dunne wortels, vooral ontwikkeld in de bovenste 10 cm van het bodemprofiel.

Gazonbeheer (beheertype met code KG+)

Meer dan 16x/jaar maaien en maaisel laten liggen.

Markante punten:

  • Per definitie toegepast bij lagere vegetaties.
  • Vaak toegepast als nog andere functies dan waterveiligheid van belang zijn: bijvoorbeeld recreatief medegebruik en verkeersfunctie.
  • Doordat zeer vaak wordt gemaaid blijft de hoeveelheid maaisel per maaibeurt gering.
  • Voedingsstoffen komen deels terug in de zode door het verteren van het maaisel in de zode en bemesting blijft meestal achterwege.
  • Dit kan leiden tot een soortenarme beemdgras-raaigrasweide.
  • Doorworteling: dicht maar ondiep wortelpakket, geconcentreerd in de bovenste 5 cm

Zomerkade, éénzijdig gemaaid (Digigids)

Zomerkade, bemeste grond (Digigids)

Overgang gazonbeheer naar 2x maaien en afvoeren (WSRL)

Overgang gazonbeheer naar 2x maaien en afvoeren (WSRL)


Beheercategorie C

Beheer categorie C leidt tot een matig tot slecht doorwortelde toplaag. Open plekken kunnen bij intensief beweiden zeer snel ontstaan. Ze zijn nauwelijks tot niet doorworteld en groeien niet meer dicht. Onder categorie C wordt verstaan:

Intensieve agrarische beheervormen (beheertype met code WW++ of HH++)

  • Meestal beweiding, hooien komt echter ook voor.
  • (zware) bemesting
  • Beweiding: soortenarme beemdgras-raaigrasweide
  • Hooien: soortenarm glanshaverhooiland

Intensieve bemesting met beweiding of hooien leidt in het algemeen tot een vegetatie met open plekken en een lage worteldichtheid. Zie ook de figuur bovenaan de pagina.


Beheercategorie C

Zeer slecht erosiebestendige grasbekledingen ontstaan bijvoorbeeld bij:

  • Achterwege blijven van jaarlijks en adequaat dagelijks beheer.
  • Jaarlijks 1-4 maal (klepel)maaien zonder afvoer van het maaisel. Klepelmaaien wordt vaak toegepast op hoge, relatief ruige vegetaties, maar ook gazonbeheer kan uit klepelen bestaan.
  • Van tijd tot tijd afbranden van de vegetatie.
  • Beweiding met runderen of paarden.
  • Zeer zware bemesting en intensieve beweiding.

De toplaag is in deze categorie zeer slecht doorworteld en heeft een lage bedekking met veel open plekken. Bij de eerste drie beheertypen ontstaat een vegetatie van ruigtekruiden waarbij de klei in de toplaag bestaat uit losse, kruimelige aggregaten die zeer gemakkelijk worden weggespoeld. Bij beweiding met runderen of paarden ontstaan grote open plekken die in omvang toenemen. Deze vormen van beheer zijn niet geschikt voor waterkerende dijken!

Volgens Hazebroek&Sprangers (Richtlijnen voor graslandbeheer, 2002) leidt branden tot het vrijkomen van grote hoeveelheden mineralen, wat kan leiden tot ruig hooiland.

Verruigd en schaduw (WSRL)

Verruigd en schaduw (WSRL)