Begrazen en maaien zijn de belangrijkste beheervormen om grasvegetaties in stand te houden. Wanneer geen botanische doelstelling aanwezig is en de ruimte aanwezig is voor een natuurlijke ontwikkeling is begrazen een alternatief voor hooilandbeheer. maken een vergelijking van beide beheervormen.kijken naar het effect van beide beheervormen. Onderstaand gaan we in op:

  • De resultaten van [Wilbrink, 2016] waarin hij 8 beheervormen van maaien en beweiden vergelijkt.
  • Vergelijking beweiden en maaien op allerlei aspecten.
  • Effecten beweiden en maaien voor soortensamenstelling, structuur vegetatie, bodemleven, bodemstructuur en fauna beknopt samengevat.
  • Combinatie van maaien en voor- of nabeweiden

We willen de eerste drie vergelijkingstabellen in de toekomst integreren tot een meer overzichtelijk geheel.


Enkele achtergronden

In een afweging van waterschap Aa en Maas is hier meer over te vinden.

Uit een meerjarig onderzoek van 1200 proefplekken op de dijken van Waterschap Rivierenland is gebleken dat beweiding succesvolle resultaten kan opleveren [EurECO, 2015].

Generieke aanbevelingen ten aanzien van dijkbeheer (civieltechnische beoordeling op basis van VTV2006)

Op dijken met een toplaag die bestaat uit zandige klei en een zuidexpositie is eenmaal maaien in het najaar met afvoer van het maaisel de beste beheervorm: de kans op een ‘goed’ vegetatietype is 100%.

Op dijken met een zwaardere toplaag (hoger lutumgehalte) worden in het algemeen twee beheervormen toegepast: tweemaal maaien per jaar met afvoer van het maaisel en wisselbeweiding met schapen, bij voorkeur binnen een tijdelijk raster.

Bij de meeste bodemcategorieën en exposities is bij beweiding met schapen de kans op een goede civieltechnische kwaliteit gemiddeld hoger (33,1%) dan bij maaibeheer (25,1%). Daar staat tegenover dat bij beweiding met schapen de kans op een slechte civieltechnische kwaliteit hoger is (43,0%) dan bij maaibeheer (26,9%). Daarom is toch maaibeheer het meest geschikt voor het beheer van de dijken.

Acht beheervormen van maaien en beweiden vergeleken.

Tabel 4 uit [Wilbrink, 2016].

Beheervorm Toelichting Gevolgen voor grasmat
1. Klepelen Gras wordt gemaaid met klepelmaaier en het maaisel wordt niet afgevoerd. Het maaisel wordt niet afgevoerd, wat leidt tot verrijking van de grond wat weer zorgt voor een verminderde diversiteit, de opkomst van ruigtesoorten, de kans op ongewenste wortelvormen en kale plekken. Slecht voor erosiebestendigheid van de grasmat (zie H4).
2. Maaien en afzuigen Gras wordt gemaaid, maaisel wordt direct afgezogen na klepelen. Door het afzuigen van het maaisel wordt de grond verschraald, wat leidt tot meer biodiversiteit. Voor flora en fauna is direct afzuigen niet ideaal, omdat veel voedsel en leven direct wordt afgevoerd.
3. Maaien, maaisel later afvoeren Gras wordt gemaaid, maaisel blijft enkele dagen liggen na maaien van het gras en daarna afgevoerd. Deze beheervorm leidt tot hoge ecologische waarde grasmat. Naast verschraling door afvoeren maaisel, heeft flora en fauna: (insecten, zaden etc.) de tijd om zich terug te nestelen in de graszode omdat maaisel enkele dagen blijft liggen.
4. Gazonbeheer Grasmat wordt intensief onderhouden; gras wordt frequent en kort gemaaid. Het kort houden van het gazon, zorgt voor weinig diversiteit, maar wel voor een hechte, gesloten grasmat. Flora en fauna hebben weinig kansen bij dit type beheer.
5. Hooibeheer Gras wordt gemaaid en gedroogd en vervolgens afgevoerd. Vergelijkbaar resultaat met beheervorm 3.
6. Extensieve beweiding zonder bemesting Begrazing door (klein)vee. Vee graast korte periode op dijktraject en wordt verplaatst over de dijk, zodat er geen bemesting zich ophoopt op de dijk (fasering in beweiding). Deze beheervorm leidt tot variatie in bedekking en soortensamenstelling van de kruidlaag doordat gras niet op één moment wordt gekort, maar door geleidelijke begrazing. Dit biedt mogelijkheden voor de vestiging van een soortenrijke fauna. Vee veroorzaakt daarentegen wel (enige) schade aan de grasmat.
7. Intensieve beweiding met bemesting Begrazing door (klein)vee. Vee graast voor langere periode op een dijktraject met bemesting van de grasmat tot gevolg. Extra bemesting voor grasbekleding dus verrijking van de grond wat leidt tot ruigtesoorten, verminderde diversiteit etc. (zie beheervorm 1).
8. Maaien en afzuigen met na-beweiding Een combinatie tussen maaien en beweiding: het maaien van gras in het voorjaar/zomer en later in het seizoen na-beweiding met (groot)vee. Gevolgen voor de grasmat zijn een combinatie van beheervorm 2 en 7: aan de ene kant verschraling (afzuiging), aan de andere kant verrijking (bemesting vee). Diversiteit in begroeiing door

Vergelijking beweiden en maaien

Beweiden Maaien
Extensieve beweiding wordt in principe jaarrond op dezelfde wijze uitgevoerd.

Met intensieve beweiding kan de beheerder variëren in ruimte en tijd.

Hooilandbeheer bestaat uit maaien en afvoeren, waarbij in principe overal op het zelfde tijdstip dezelfde maatregel wordt uitgevoerd.

Tenzij er gefaseerd wordt gemaaid.

Beweiden bestaat uit het afgrazen van de vegetatie waarbij een deel van de voedingsstoffen wordt afgevoerd in de vorm van ‘schaap’. Er vindt daardoor enige verschraling plaats. Door maaibeheer wordt de gehele vegetatie verwijderd en vindt op termijn verschraling plaats.
Grazers dragen bij aan de verspreiding van plantensoorten door transport van zaden en vruchten via vacht, hoeven en mest. Via maaiapparatuur worden zaden verspreid: ongewenste en gewenste.
Extensieve beweiding jaarrond leidt overwegend tot een minder soortenrijke en monotone vegetatie.

Bij extensieve beweiding hebben grazers door het betreden, bemesten en afvreten van de vegetatie, effect op de ontwikkeling van:

–          de vegetatie

–          de ruimtelijke verdeling van nutriënten

–          de structuurvariatie: kort begraasde delen, afgewisseld met hogere, ruige plekken en hier en daar opengetrapte plekken.

Maaibeheer zorgt voor strakke grenzen binnen een terrein en weinig variatie in structuur. Hierdoor ontstaat weinig structuurvariatie. Vegetatie is relatief monotoon met dezelfde hoogte en weinig afwisseling.

Gefaseerd maaien (afwisselend in de tijd delen vegetatie laten staan) vergroot wel de diversiteit, maar de overgangen zijn scherp. Spontane ontwikkelingen krijgen weinig tot geen kans.

Maaibeheer is zeer geschikt voor botanische doelstellingen.

Begrazen is vooral voor fauna interessant en minder voor het halen van botanische doelstellingen. De structuurvariatie heeft een gunstige uitwerking op veel kleine diersoorten die vaak meerdere milieus op korte afstand van elkaar nodig hebben. In kleine begraasde terreinen, of bij jaarrond begrazing, is dit effect nauwelijks waarneembaar, omdat de dieren vrijwel overal lopen. Grootschalig maaien zonder variatie in ruimte en tijd leidt tot een grote aanslag op het leefgebied van kleine fauna.
Grazers beïnvloeden de soortensamenstelling en er komen karakteristieke weidesoorten. Door hun selectieve graasgedrag bepalen de grazers welke vegetatie er ontstaat. Begrazing leidt tot de uitbreiding van soorten die goed zijn aangepast aan betreding en bemesting en gewapend zijn tegen vraat (stekelige, doornige, taaie, giftige of sterk riekende en aromatische soorten). Soorten die gebaat zijn bij een beheer van maaien en afvoeren, zoals typische hooiland-soorten, kunnen afnemen als gevolg van het inzetten van begrazing. Gekozen maaitijdstip(pen) en -frequenties bepalen welke vegetatie zich ontwikkelt. Hierdoor staat de uitkomst van het beheer min of meer vast. Door maaien en afvoeren worden vooral hooilandsoorten bevorderd en ontstaan soortenrijke graslanden.
Betreding of het krabben met hoeven leiden tot kale, open plekken. Dit zijn gunstige kiemingsomstandigheden voor veel houtige plantensoorten. De verdere ontwikkeling van houtopslag kan door intensieve begrazing worden tegengegaan, maar moet wel in de gaten worden gehouden. Incidentele slip- en rijsporen leiden tot open plekken die gevoelig zijn voor de minder gewenste soorten. In het algemeen verdwijnen die weer bij volgende maaibeurten.

Te zwaar materieel, herhaald terugkomen en vaste rijroutes leiden tot insporingen in het talud, vergelijkbaar met schapenpaadjes.

Door vertrapping van de vegetatie kan de bodem gevoelig worden voor de eroderende werking van water en wind. Dit treedt vooral op bij overbegrazing. In open plekken kunnen echter nieuwe planten(soorten) ontkiemen. Begrazing leidt tot paadjes over het talud, langs het raster en nabij drinkbakken waardoor microreliëf ontstaat. Het WBI vindt dit een risicofactor voor de erosiebestendigheid. Een gesloten zode mag geen reliëf hebben van meer dan 10 cm per 0,1 m2.

De hoeven kunnen leiden tot het oppervlakkig verdichten van de zode, dit is niet per se ongewenst.

Ook kan er schade aan de bodemstructuur ontstaan als met te zware machines op vochtige/natte terreinen wordt gereden.
Begrazen is vooral voor fauna interessant, maar minder voor het halen van botanische doelstellingen. Ook als vlinders nadrukkelijk doelsoort zijn moet overwogen worden of begrazing wel voldoet als beheervorm. Maaien en nabeweiden kan hier een optie zijn. Indien beschermde/bijzondere soorten voorkomen, die gevoelig zijn voor begrazing, moet begrazing niet als beheervorm worden gekozen. Minder nadelen voor de fauna kunnen alleen ontstaan als de beheerder het maaibeheer afwisselend in ruimte en tijd uitvoert, bijvoorbeeld door synusbeheer of door overhoeken en rasters niet uit te maaien.
Grazers zijn moeilijker te sturen dan maaiapparatuur, maar met een goede schapenhouder is er veel mogelijk.

Grazers kunnen moeilijk bereikbare plaatsen makkelijk meenemen. Te denken valt hierbij aan steile taluds, overhoeken, etc.

Bij maaien is betere sturing mogelijk dan bij begrazing. Machinaal zijn moeilijk bereikbare plekken niet altijd goed te bereiken zonder veel schade toe te brengen aan de bodem en vegetatie.

Effecten beweiden en maaien

Beheeraspect Effect beweiding Effect maaibeheer
Soortensamenstelling Lager gemiddelde soortenrijkdom Hoger gemiddelde soortenrijkdom
  Graasbestendige soorten Maaibestendige soorten
  Grotere kans op probleemsoorten Kleinere kans op probleemsoorten
Structuur vegetatie Meer differentiatierond objecten, in hoeken en rond bepaalde plantensoorten waar schapen niet grazen. Vrijwel geen structuurverschillen, tenzij gefaseerd uitgevoerd
Bodemleven Meer bodemleven (door mest?) Minder bodemleven (door verdichting?)
Bodemstructuur Toplaag verdicht door schapenpoten Structuur tot diepere lagen verdicht in rijsporen
Fauna Meer kansen door grotere variatie Minder kansen door weinig structuurverschillen en door volledig uitgevoerde maaibeurt
Schapentalud noordhelling met reliëf (WSRL)

Schapentalud noordhelling met reliëf (WSRL)

Noordtalud flauwer met licht reliëf rijsporen (WSRL)

Noordtalud flauwer met licht reliëf rijsporen (WSRL)

Maaibeheer in exclosure in schapenweide in Wamel (EurECO)

Maaibeheer binnen exclosure (afgeschermd deel) in schapenweide in Wamel (EurECO)

Maaibeheer rond exclosure in schapenweide in Wamel (EurECO)

Maaibeheer rond exclosure in schapenweide in Wamel (EurECO)


Combinatie maaien en voor- of nabeweiden

In weilanden (meestal met een vast raster) worden meerdere beweidingsrondes vaak gecombineerd met een maaibeurt waarbij slechts de harde bloeistengels van de dijkvegetatie worden afgemaaid (bloten). In andere gevallen worden beide vormen op een perceel toegepast in de verschillende rondes.

We gaan onderstaand in op:

  • Maaien in het voorjaar en nabeweiden in de zomer en/of het najaar.
  • Voorbeweiden in het voorjaar en namaaien in de zomer en/of het najaar.
  • Nabegrazing met schapen.

Maaien in het voorjaar en nabeweiden in de zomer en/of het najaar

Het tijdstip van de maaibeurt in het voorjaar hangt af van de biomassaproductie in het voorjaar. Bij een hoge biomassaproductie moet vroeger gemaaid worden. Bij een lage biomassaproductie kan later worden gemaaid. Indien na 15 juni wordt gemaaid komen de meeste plantensoorten tot bloei en zaadzetting. Bij een soortenrijke, laag productieve dijkvegetatie volstaat een maaibeurt na 21 juni (zonnewende: langste dag) gevolgd door nabegrazing in augustus of september.

Nabeweiding kan plaatsvinden vanaf het moment dat de dijkvegetatie zich voldoende heeft hersteld na de maaibeurt. Als er vroeg (mei/juni) is gemaaid komen de meeste plantensoorten nog tot een tweede bloei en zaadzetting in juli/augustus. In dat geval dient de nabeweiding pas plaats te vinden na de afrijping van de zaden.

Van de combinatie van maaibeheer in het voorjaar en nabeweiding bestaan drie varianten:

  1. Maaien vóór 15 mei en beweiden na 15 juni of 21 juni (na de bloei en zaadzetting): in vorm van intensieve wisselbeweiding of extensieve continue beweiding.
  2. Maaien vóór 15 mei, maaien na 15 juni of 21 juni (na de bloei en zaadzetting) en nabeweiden in augustus-september.
  3. Maaien na 15 juni of 21 juni en nabeweiden in augustus-september.De varianten 1 en 2 zijn geschikt bij een relatief hoge biomassaproductie en een relatief snelle groei in het voorjaar in combinatie met een relatief hoge soortenrijkdom.
  4. Variant 3 is geschikt bij een lage biomassaproductie waarbij de groei meestal later in het voorjaar op gang komt en kan worden volstaan met maaien na 15 juni of na 21 juni. Hoe lager de biomassaproductie en hoe hoger de soortenrijkdom, des te later kan de maaibeurt plaatsvinden.
Nabeweiding kortdurend, intensief met flexraster (EurECO)

Nabeweiding kortdurend, intensief met flexraster (EurECO)

Nabegrazing Waalbandijk, opschot braam (EurECO)

Nabegrazing Waalbandijk, opschot braam (EurECO)

Voorbeweiden in het voorjaar en namaaien in de zomer en/of het najaar

Schapen hebben een hekel aan lang gras en hebben de neiging het plat te lopen. Daarom moet voorbeweiding relatief vroeg in het groeiseizoen gebeuren: tussen 1 april en 15 mei. Het tijdstip waarop de voorbeweiding kan starten hangt af van de voorjaarsgroei van de dijkvegetatie. Een koud en droog voorjaar remt de voorjaarsgroei waardoor de voorbeweiding pas vanaf 15 april mag plaatsvinden.

Namaaien kan plaatsvinden vanaf het moment dat de dijkvegetatie zich voldoende heeft hersteld.  Als na 15 juni wordt gemaaid zijn de meeste plantensoorten inmiddels tot bloei en zaadzetting gekomen. Bij een soortenrijke, laag productieve dijkvegetatie volstaat een maaibeurt na 21 juni (zonnewende: langste dag). Wanneer het namaaien op een relatief vroeg moment in het groeiseizoen is gebeurd kan een tweede maaibeurt in september noodzakelijk zijn teneinde de dijkvegetatie op de gewenste lengte de winter in te laten gaan.

Van deze combinatie van beweiding en maaibeheer bestaan twee varianten:

  1. Beweiden vóór 15 mei, maaien na 15 juni of 21 juni (na de bloei en zaadzetting) en nabeweiden in augustus-september.
  2. Beweiden vóór 15 mei, maaien na 15 juni of 21 juni (na de bloei en zaadzetting) en maaien in augustus-september.

In weilanden (meestal met een vast raster) worden meerdere beweidingsrondes vaak gecombineerd met een maaibeurt waarbij slechts de harde bloeistengels van de dijkvegetatie worden afgemaaid en meestal niet worden afgevoerd (bloten).

Nabeweiding met schapen

Tegenwoordig wordt op de meeste dijken maaibeheer toegepast. Het maaibeheer bestaat meestal uit een voorjaars- en een najaarsmaaibeurt. Het maaisel wordt vrijwel altijd afgevoerd. Het verzamelen van het maaisel (wiersen, duinen, etc.) en het afvoeren van het maaisel gebeurt vaak met zwaar materieel. Hierdoor kan het talud beschadigd raken (insporen), vooral op jonge taluds en onder slechte (natte) weersomstandigheden. Dit kan aanleiding zijn om met name de najaarsmaaibeurt te vervangen door nabegrazing met schapen.