De termen beweiden en begrazen worden vaak door elkaar gebruikt, dat is ook geen probleem. In deze Handreiking kiezen we voor de begrippen ‘beweiding’ of ‘beweiden’:

  • vanuit historisch perspectief: de meeste studies naar grasbekleding op dijken hanteren dit begrip;
  • voor aansluiting bij namen van vegetatietypen, zoals bijvoorbeeld ‘kamgrasweiden’;
  • voor aansluiting bij de praktijk op de waterkering waarbij bijna altijd een (tijdelijk) raster wordt gebruikt en er dus sprake is van een (tijdelijke) weide.

In dit menu gebruiken we ook andere termen waarbij we ons er van bewust zijn dat die per waterkeringbeheerder verschillen. Zo mogelijk zetten we de overeenkomstige termen bij elkaar.

We gaan onderstaand in op:

  • Waarom beweiden?
  • Rekening houden met andere functies
  • Beheerdoelen van beweiden
  • Voor- en nadelen van beweiden

De volgende pagina’s gaan over beweidingsbeheer:


Schaap met lam (EurECO)

Schaap met lam (EurECO)

Waarom beweiden?

Beweiden (of maaien) is noodzakelijk om een erosiebestendige grasbekleding te ontwikkelen en in stand te houden. Anders ontwikkelt deze zich tot een ruigte en krijgen hoog opschietende vaste planten en houtachtige gewassen een kans [TAW, 1999]. Daarnaast beweidt een beheerder omdat hij rekening houdt met andere functies van de waterkering. De wijze van beweiden bepaalt hoe de vegetatie met doorworteling zich kan ontwikkelen, welke plantensoorten zich kunnen vestigen en handhaven, hoe de ruimtelijke structuur wordt. Kortom: beweiden is samen met maaien één van de belangrijkste factoren die de grasbekleding vormt.

Hiernaast vatten we de erosiebestendigheid en andere functies nog kort samen.

Erosiebestendigheid en eisen WBI2017

Volgens het WBI2017 moet de grasbekleding erosiebestendig zijn. De volgende factoren bepalen de erosiebestendigheid van de grasbekleding:

  • het type vegetatie en de kwaliteit en dichtheid daarvan;
  • de kwaliteit en dichtheid van de doorworteling;
  • de aanwezigheid van beschadigingen;
  • de mate van microreliëf (oneffenheid).

Achtergronden hierover kun je lezen op andere pagina’s:

Beweiden houdt de vegetatie en doorworteling vitaal en dus erosiebestendig, maar het vee kan schades veroorzaken en beïnvloedt de nutriëntenhuishouding. Langdurig beweiden verarmt uiteindelijk de bodem en leidt tot een open vegetatie (problemen grasbekleding) waarbij loopsporen een extra risico vormen. Beweiden levert dus ook risico’s op, die komen verder aan bod bij uitvoeringsaspecten van beweiding.

Rekening houden met andere functies

Historisch gezien was er bij beweiding sprake van een waterstaatkundige of agrarische functie. [Fliervoet, 1992].

  • Waterstaatkundig: Wanneer graasfunctie belangrijker is dan wol-, melk- en of vleesproductie. Bij voorkeur niet bijgevoerd en bemest. Zie ook beheercategorie A en Beheercategorie B.
  • Agrarisch: Wanneer wol-, melk- en of vleesproductie belangrijker is dan graasfunctie. Vaak bemest en soms ook bijgevoerd vanwege deze productiedoeleinden. Vaak gebruik van herbiciden bij de bestrijding van ongewenste plantensoorten. Zie ook Beheercategorie C

De laatste functie heeft de laatste decennia minder ruimte gekregen.

De grasbekleding dient ook andere functies, zoals stedelijke, landschappelijke en ecologische. Deze bepalen de doelvegetatie en de wijze waarop de beheerder het weidebeheer uitvoert. Ook de omgeving waarin het gras staat, bepaalt het beheer. De wijze en frequentie van beweiden moeten hierop worden afgestemd. Dit komt onderstaand aan bod bij de beheerdoelen van beweiden.

Omdat elke situatie weer anders is, kunnen geen exacte voorschriften gegeven worden voor welke beweidingsvorm je kunt toepassen of het meest geschikt is. Het beheer moet in principe voor iedere grasbegroeiing steeds worden afgestemd op het beheerdoel en de omstandigheden ter plekke [Boer&Schils, 2011]. Bij de uitvoeringsaspecten gaan we hier verder op in. Essentieel is dat naast het talud ook een vlak gelegen stuk grasland aanwezig is, zodat het vee niet continu op het dijktalud hoeft te verblijven.

Beheerdoelen van beweiden

De omgeving en het doel van de beheerder stellen dus aanvullende eisen aan de grasbekleding. De beheerder kiest daarom beheerdoelen die horen bij de andere functies.

De beheerdoelen binnen waterstaatkundig beheer zijn:

  1. Stedelijk gebied: onder gras in stedelijk gebied verstaan we de openbare groene taluds die geen verkeersfunctie hebben en niet bij huispercelen horen. Vaak is dit speel- of uitlaatgebied waar een beperkte grashoogte is toegestaan (‘ruw gras’).
  2. Verkeerssituatie: zichtlijnen voor weggebruikers zijn vrij van vegetatie (minder relevant bij beweiding).
  3. Rond huizen: wensen van eigenaren en bewoners voor beweiding.
  4. Standaard gras: geen specifieke aanvullende wensen.
  5. Bloemrijk gras: de beheerder wil soortenrijkdom en biodiversiteit bevorderen.
  6. Jonge zode: er is recent werk uitgevoerd waardoor de grasmat in ontwikkeling
  7. Beschermde soorten Natuurbeschermingswet: de beheerder moet rekening houden met flora- en faunasoorten die beschermd zijn en volgt hiervoor een specifiek beheerplan.
  8. Ongewenste situatie: er zijn probleemsoorten.

Beweiding in bewoond gebied.

Reuzenbereklauw bestrijden met schapen, effect (WSRL)

Reuzenbereklauw bestrijden met schapen, effect (WSRL)

Schapenweide gesloten zode

In onderstaande tabel geven we een indicatie voor de begrazingsvorm in relatie tot het beheerdoel. De tabel geeft een indicatie en scoort met + en – de geschiktheid van de onderhoudsvorm voor het beheerdoel. Onder het kopje ‘Hoe beweiden?’ gaan we verder in op de onderhoudsvorm.

Stedelijk

Gebied 1

Verkeers-

situatie

Rond huizen Standaard

gras

Bloemrijk gras Jonge

zode

Beschermde soorten Nbw Ongewenste

situatie

Standbeweiding

Extensief

(10-15 schaap/ha) 2

+ +-
Periodieke beweiding extensief 3 + +-
Drukbeweiding

Flexnetten

+ + + 4            +- 4 +-
Drukbeweiding

Herder

+- + + 4 +- 5 +- 4 +
  1. Onder gras in stedelijk gebied verstaan we de groene taluds nabij woningen, die geen verkeersfunctie hebben of bij huispercelen horen. Vaak is dit speel- of uitlaatgebied.
  2. Standbeweiding: schapen staan in principe jaarrond of in de periode april-oktober op het perceel.
  3. Periodieke beweiding extensief betekent een vast raster, waarbij schapen periodiek worden ingeschaard, met weken van tussenruimte.
  4. Mogelijk, mits rekening wordt gehouden met de bloeiperiodes.
  5. Onder natte omstandigheden een snelle gang met een gehoede kudde leiden tot het uitstoelen van het gras. Maaimaterieel kan dan meer schade geven.

Voor- en nadelen van beweiden

Onderstaande voor- en nadelen komen binnen de contexten ook aan bod op de andere pagina’s. Hier vatten we ze samen.

Algemene voordelen van beweiden

  • Beweiding is mogelijk op minder draagkrachtige of slecht bereikbare grond (bijv. smalle veenkades) waar maaimaterieel schade veroorzaakt.
  • Grazers gaan meer geleidelijk en meer natuurlijk te werk dan maaimachines. Meer structuur in de vegetatie wat gunstig is voor fauna. Sluit beter aan bij de Gedragscode Wet Natuurbeheer (Wnb) voor waterschappen.
  • In een jong plantstadium worden ook probleemsoorten zoals Brandnetel, Akkerdistel, Berenklauw en Braam gegeten. Jacobskruiskruid wordt door schapen gegeten. Schapen zijn resistenter tegen gif dan paarden en runderen en leven doorgaans korter waardoor de stapeling van het gif geen effect heeft.
  • Grazers vormen op dijken een attractieve factor voor recreanten. Landschappelijk aantrekkelijker dan grote tractoren.
  • Betrokkenheid van lokale en kleine onderhoudsnemers door inzet van kleine kuddes.
  • Geen afzet nodig voor maaisel.
  • Door kleine beschadigingen in de grasmat ontstaan er kiemingsmogelijkheden voor nieuwe soorten.
  • Beweiden creëert micromilieus voor biodiversiteit, zoals veepaadjes, opengetrapte plekken en mierenbulten. Dieren dragen door inzet op verschillende locaties bij aan de verspreiding van plantensoorten door transport van zaden en vruchten via vacht, hoeven en mest. Dit leidt doorgaans tot een grotere verscheidenheid aan planten- en diersoorten. [Elbersen e.a., 2003].
  • Beweiden kan bijdragen aan het verdichten van de zode.
  • Randen overblijvende vegetatie langs de raster vormen vlucht- en overwinterinsgplekken voor insecten.
  • Beweiden van kruidenrijke vegetaties hebben gezondheidsvoordelen voor dieren [Wagenaar et al, 2017]

Algemene nadelen van beweiden

  • Goede sturing is noodzakelijk om over- dan wel onderbeweiding te voorkomen. Minder zekerheid over kwaliteit grasbekleding. Bij te extensieve beweiden blijven houtige bloeistengels en minder smaakvolle plantensoorten staan. Bij te intensieve beweiden achteruitgang van aantal plantensoorten en verdwijnen van insectenfauna.
  • Nazorg is nodig: bloten van houtige en ongewenste vegetatie.
  • Kans op beschadiging van de grasbekleding: schapenpaden, open plekken om dijkpalen, drinkbakken, op favoriete ligplekken, onkruidhaarden, etc. Het talud wordt meer blootgesteld aan de eroderende werking van water en wind. Dat treedt vooral op bij overbeweiden.
  • Permanente rasters zijn relatief kostbaar. Tijdelijke rasters zijn kwetsbaar voor uitbreken.
  • Rasters in het algemeen beperken de toegankelijkheid van de percelen voor (hoogwater)inspectie. Rasters op het buitentalud zijn gevoelig voor drijfvuil. Langs de rasters blijven randen hogere vegetatie staan dat niet wordt weggevreten en een aangrijpingspunt kan vormen bij overloop of overstroming (vergroting faalkans) of bij inspectie het zicht op een talud belemmert.
  • Kans op lokale verrijking met meststoffen (eutrofiëring), vooral op vlakke delen van de dijken en als er bijgevoerd wordt, wat onwenselijk is.
  • Kans op verspreiding van ongewenste soorten door zaadtransport via mest en vacht.
  • Bij te laat inscharen kan de vegetatie worden vertrapt waardoor een strooisellaag ontstaat.
  • Als beschermde/bijzondere soorten voorkomen, die gevoelig zijn voor beweiden, moet beweiden niet als beheervorm worden gekozen. Beweiden kan nadelig zijn voor bepaalde doelsoorten. Tred- en vraatbestendige soorten worden bevoordeeld, terwijl soorten, die niet tegen beweiden kunnen, achteruitgaan.
  • Wanneer schapen lange tijd gegraasd hebben op grassen, hebben ze de voorkeur voor een ander dieet bij een wisseling van weide. Als in die weide bloeiende soorten staan, zullen ze die het eerst te grazen nemen. Dit kan ten koste gaan van de soortenrijkdom.
  • Door het intensieve beweiden kan onder natte omstandigheden het talud er zwart gaan uitzien. Dit trekt meestal snel bij als de beweiding stopt.
  • Moeilijker in te plannen dan maaimachine.
  • Het vee heeft verzorging nodig.

Deels ontleend aan [Cox et al, 2013; Elbersen e.d., 2003; Hazebroek&Sprangers, 2002; Sprangers, 1996]

Schapenkeutels (EurECO)

Schapenkeutels kunnen leiden tot plaatelijke verruiging (EurECO)

Schapenpaadje haaks op de dijk als stroomgeul

Contact schapenbeheerder (EurECO)

Contact schapenbeheerder voor het melden van problemen (EurECO)