Relatieve soortenrijkdom

Bloemdijken hebben een relatief hoge soortenrijkdom: er bloeien meer soorten dan op andere dijken. De soortenrijkdom is deels afhankelijk van de samenstelling van de toplaag: op een lichtere bodem is de soortenrijkdom in het algemeen hoger dan op een zeer zandige of zeer zware (kleirijke) bodem (figuur 002). Er zijn proefvakken op zavelige grond met meer dan 60 soorten per 25 m2. Op een zware bodem kan echter ook een relatief hoge soortenrijkdom worden bereikt door middel van een optimaal beheer: de soortenrijkdom is hoog ten opzichte van de minder goed beheerde dijken met dezelfde bodemsamenstelling maar desondanks laag ten opzichte van de soortenrijkdom op een lichter bodem. Vandaar de term relatieve soortenrijkdom. In de beheerdoelstellingen moet de waterkeringbeheerder hier rekening mee houden. Dit kan leiden tot een beheerdersdilemma.

Definitie: relatieve soortenrijkdom is het verschijnsel dat het mogelijk te ontwikkelen (potentieel) aantal soorten op een standplaats beperkt wordt door het lutumgehalte in de bodem.

Zie ook: Relaties tussen soorten en beheervorm / lutumgehalte.

Figuur 002 Gemiddeld aantal soorten per categorie lutumgehalte

Figuur 002. Gemiddeld aantal soorten per categorie lutumgehalte