We onderscheiden binnen de handreiking drie categorieën vegetatie op een waterkering. De doorgroeistenen horen (in aansluiting op de Digigids) bij de steenbekleding, maar functioneren niet zonder een goede doorworteling; daarom behandelen we die ook.

We gaan onderstaand in op:

  • Halfnatuurlijke vegetatie
  • Cultuurlijke vegetatie
  • Cosmetische vegetatie (verholen bekleding)
  • Doorgroeistenen

Halfnatuurlijke vegetatie

Van oudsher groeit op de dijken in Nederland een halfnatuurlijke vegetatie (PNV = potentieel natuurlijke vegetatie). Dat wil zeggen dat de plantensoorten zich spontaan hebben gevestigd maar zich alleen kunnen handhaven bij een gericht beheer met bijhorend onderhoud. Wanneer beheer ontbreekt ontwikkelt de graslandvegetatie zich geleidelijk in de richting van struweel en uiteindelijk bos, zoals vrijwel overal in Nederland zou gebeuren.
De meeste typische dijksoorten (planten die kenmerkend zijn voor dijken) zijn afkomstig uit Centraal-Europa en het mediterrane gebied en hebben Nederland bereikt via groeiplekken in de uiterwaarden langs de grote rivieren. Ze groeien het liefst op relatief zandige, steilere taluds met een zuidexpositie maar kunnen zich, bij geschikt beheer, ook lang handhaven op minder geschikte standplaatsen.

De soorten die zich spontaan hebben gevestigd in deze halfnatuurlijke dijkvegetatie zijn optimaal aangepast aan de heersende standplaatsomstandigheden en zijn bestand tegen weerextremen, bijvoorbeeld langdurige droogte tijdens de zomerperiode.

Een halfnatuurlijke dijkvegetatie komt alleen nog voor op enkele oude dijken. Vaak komen die alleen nog voor als deze zijn gespaard bij dijkversterkingsrondes.


Cultuurlijke vegetatie

Op dijken is tegenwoordig meestal sprake van een cultuurlijk grasland: ingezaaid door de mens en beheerd door mens of dier. Cultuurlijke dijkgraslanden bestaan uit gekweekte plantensoorten die vaak minder goed zijn aangepast aan de heersende standplaatsomstandigheden en die daardoor minder goed bestand zijn tegen weerextremen als langdurige droogte.

Nieuwe dijken worden altijd ingezaaid omdat aan de eis moet worden voldaan dat ze zo snel mogelijk begroeid (erosiebestendig) moeten zijn. Spontane vestiging van gewenste dijkgraslandsoorten treedt vrijwel niet meer op doordat geschikte zaadbronnen in de directe omgeving (dispersie) meestal ontbreken waardoor natuurlijke verspreiding achterwege blijft. Voor een dijkbeheerder vergt dit actief beheer om verspreiding te bevorderen. Zie floraverrijkende maatregelen en ontwikkelingsbeheer. Voor de inzaai van nieuwe dijken worden meestal de standaard dijkenmengsels D1 en D2 gebruikt. Zie zadenmengsel en –bronnen.


Cosmetische vegetatie (verholen of verborgen bekleding)

Een cosmetische vegetatie heeft nauwelijks of geen waterstaatkundige functie en is dus in feite geen grasbekleding met een erosiebestendigheidseis. Een dijkbeheerder ontwikkelt en onderhoudt een cosmetische vegetatie op locaties waar wel een groene aanblik is gewenst. Onder een cosmetische vegetatie ligt een verharding in de vorm van basalt of basalton. Kenmerkend voor deze vegetatie is dat die in de zomer makkelijker kan uitdrogen doordat de vochtleverantie uit de bodem minder is. Door de lage eis aan erosiebestendigheid staat deze vegetatie ook andere vormen van onderhoud toe. Door hechting op de harde bekleding valt de erosiegevoeligheid mee.


Overlaagde steenbekleding opengewerkt (foto WSRL)

Overlaagde steenbekleding opengewerkt (foto WSRL)

Grasdoorgroeistenen of grasbetonblokken

Bij doorgroeistenen gaat het om de civieltechnische werking van de blokken en om de functie van de begroeiing.

De sterkte van grasbekledingen wordt beoordeeld op basis van de kwaliteit van de zode. Een gesloten of open zode biedt voldoende weerstand voor belastingen in zones met grasbekledingen op waterkeringen. De sterkte van de graszode wordt beoordeeld door een plag van 30 cm bij circa 25 cm en 7-10 cm dik horizontaal handmatig uit elkaar te trekken.

Bij doorgroeistenen groeien de wortels alleen in de openingen. Dus is er geen sprake van een aaneengesloten zode zoals bedoeld voor kwalificering van de sterkte van de graszode. De openingen in de doorgroeistenen zijn orde 10 cm bij 10 cm. Deze openingen zijn kleiner dan het oppervlak waarvoor beschadigingen aan de grasbekledingen kritiek worden voor falen van de grasbekleding. Laatste bedoelde grootte is 15 cm bij 15 cm. Doorgroeistenen lijken voor de beoordeling van de bescherming van de kering tegen erosie meer op blokken. In de Digigids (uitgangspunten Steenbekleding versie 2016) zijn doorgroeistenen geen aparte categorie meer, maar zijn ze ondergebracht bij blokken en zuilen.

Voor de instandhouding van een goede bekleding met doorgroeistenen is het belangrijk de vegetatie te onderhouden. Zonder de doorworteling kan het bodemmateriaal in de openingen en onder de blokken makkelijk uitspoelen.


Doorgroeistenen (WVV)

Doorgroeistenen (WVV)