We onderscheiden binnen de handreiking drie categorieën vegetatie op een waterkering. De doorgroeistenen horen volgens het WBI2017 bij de grasbekleding, daarom behandelen we die ook.

We gaan onderstaand in op:

  • Halfnatuurlijke vegetatie
  • Cultuurlijke vegetatie
  • Cosmetische vegetatie (verholen bekleding)
  • Doorgroeistenen

Halfnatuurlijke vegetatie

Van oudsher groeit op de dijken in Nederland een halfnatuurlijke vegetatie (PNV = potentieel natuurlijke vegetatie). Dat wil zeggen dat de plantensoorten zich spontaan hebben gevestigd maar zich alleen kunnen handhaven bij een gericht beheer met bijhorend onderhoud. Wanneer beheer ontbreekt ontwikkelt de graslandvegetatie zich geleidelijk in de richting van struweel en uiteindelijk bos, zoals vrijwel overal in Nederland zou gebeuren.
De meeste typische dijksoorten (planten die kenmerkend zijn voor dijken) zijn afkomstig uit Centraal-Europa en het mediterrane gebied en hebben Nederland bereikt via groeiplekken in de uiterwaarden langs de grote rivieren. Ze groeien het liefst op relatief zandige, steilere taluds met een zuidexpositie maar kunnen zich, bij geschikt beheer, ook lang handhaven op minder geschikte standplaatsen.

De soorten die zich spontaan hebben gevestigd in deze halfnatuurlijke dijkvegetatie zijn optimaal aangepast aan de heersende standplaatsomstandigheden en zijn bestand tegen weerextremen, bijvoorbeeld langdurige droogte tijdens de zomerperiode.

Een halfnatuurlijke dijkvegetatie komt alleen nog voor op enkele oude dijken. Vaak komen die alleen nog voor als deze zijn gespaard bij dijkversterkingsrondes.


Cultuurlijke vegetatie

Op dijken is tegenwoordig meestal sprake van een cultuurlijk grasland: ingezaaid door de mens en beheerd door mens of dier. Cultuurlijke dijkgraslanden bestaan uit gekweekte plantensoorten die vaak minder goed zijn aangepast aan de heersende standplaatsomstandigheden en die daardoor minder goed bestand zijn tegen weerextremen als langdurige droogte.

Nieuwe dijken worden altijd ingezaaid omdat aan de eis moet worden voldaan dat ze zo snel mogelijk begroeid (erosiebestendig) moeten zijn. Spontane vestiging van gewenste dijkgraslandsoorten treedt vrijwel niet meer op doordat geschikte zaadbronnen in de directe omgeving (dispersie) meestal ontbreken waardoor natuurlijke verspreiding achterwege blijft. Voor een dijkbeheerder vergt dit actief beheer om verspreiding te bevorderen. Zie floraverrijkende maatregelen en ontwikkelingsbeheer. Voor de inzaai van nieuwe dijken worden meestal de standaard dijkenmengsels D1 en D2 gebruikt. Zie zadenmengsel en –bronnen.


Cosmetische vegetatie (verholen of verborgen bekleding)

Een cosmetische vegetatie heeft nauwelijks of geen waterstaatkundige functie en is dus in feite geen grasbekleding met een erosiebestendigheidseis. Een dijkbeheerder ontwikkelt en onderhoudt een cosmetische vegetatie op locaties waar wel een groene aanblik is gewenst. Onder een cosmetische vegetatie ligt een verharding in de vorm van basalt of basalton. Ook wordt onderzocht of een dunne laag bentoniet (Geo Clay Liner) kan worden ingegraven om de erosiebestendigheid te garanderen.

Wat de beheerder met deze vegetatie wil, hangt van veel factoren af: doelkeuzes, uitstraling naar de omgeving, eenduidigheid. Dit blijft dus een organisatiekeuze die verder aan bod komt bij Visie, functie-eisen en streefbeelden, en meer specifiek bij functies en waarden van de grasbekleding.

Kenmerkend voor deze vegetatie is dat die in de zomer makkelijker kan uitdrogen doordat de vochtleverantie uit de bodem minder is. Door de lage eis aan erosiebestendigheid staat deze vegetatie ook andere vormen van onderhoud toe.

Het is voor de beheerder belangrijk om deze bekledingen goed  in het beheerregister te hebben staan, zodat het beheer er op afgestemd is en tijdens hoogwater duidelijk is welke eisen hier gelden.


Overlaagde steenbekleding opengewerkt (foto WSRL)

Overlaagde steenbekleding opengewerkt (foto WSRL)

Grasdoorgroeistenen of grasbetonblokken

Bij doorgroeistenen gaat het om de civieltechnische werking van de blokken en om de functie van de begroeiing.

In de Digigids (uitgangspunten Steenbekleding versie 2016) zijn doorgroeistenen geen aparte categorie meer, maar zijn ze ondergebracht bij blokken en zuilen. Die indeling klopt niet meer in het licht van het WBI2017. In de Handleiding Steentoets [Klein Breteler, 2019, p. 34] staat  “Voor doorgroeiblokken in de golfoploopzone is het nodig dat er ook een toetsing van het gras uitgevoerd wordt. Alleen als het gras zonder de doorgroeiblokken ook voldoende stabiel is, kan deze bekleding goedgekeurd worden. Dit wordt weergegeven in de score.”

Voor doorgroeistenen gelden dus de sterkte-eisen van gras. Het is alleen ingewikkeld deze te beproeven volgens de veldmethode.


Doorgroeistenen (WVV)

Doorgroeistenen (WVV)