Binnen de grasbekleding spelen allerlei natuurlijke processen die te complex zijn om hier volledig uit te werken. Enkele processen die de beheerder moet begrijpen om grasbekleding te kunnen sturen, komen onderstaand aan bod.

  • Concurrentie: iedere soort heeft zijn eigen plaats in het ecosysteem. Zonder beheer zal een bepaalde soort op een bepaalde plek door een grotere concurrentiekracht de overhand krijgen. Die kracht heeft te maken met de relatie tussen de plant en de groeiplaats: de voedingstoestand in de bodem, het doordringen van zonlicht, het vochtgehalte, de dynamiek enz. bepalen welke soort in zijn kracht staat. Een kenmerkend verschil tussen de meeste grassen en kruiden is het tijdstip van bloei en zaadzetting. Grassen ontwikkelen en bloeien in het algemeen vroeger dan kruiden, grofweg april-mei voor de voedselrijke grassen en juni-juli voor kruiden. Door hierop in te spelen bij het maaien, kan de beheerder sturen in de soorten die hij wil bevoordelen. Vroeg maaien bevordert de afvoer van nutriënten en opkomst van kruiden. Zie ook aanleg.
  • Dynamiek en successie: de ontwikkeling van een systeem van de ene fase naar de andere. Wanneer gras niet wordt gemaaid, zal het in Nederland in de meeste gevallen uiteindelijk tot een bos uitgroeien.
  • Evenwicht en regulatie: de wijze waarop het systeem reageert op veranderingen. Een voorbeeld is de samenhang tussen muizen en roofvogels of de reactie van gewas op droogte.
  • Facilitatie: het sneller en gemakkelijker doen verlopen van een bepaald proces. Planten kunnen hun omgeving zodanig beïnvloeden dat hierdoor de kieming en vestiging van de eigen soort wordt bevorderd. Dit wordt facilitatie genoemd. Een andere vorm van facilitatie is dat bepaalde plantensoorten de snelle kieming en vestiging van andere soorten bevorderen. Deze vorm van facilitatie kan ervoor zorgen dat de soortenrijkdom snel toeneemt.
  • Kringloop van flora en fauna: ontstaan, ontwikkelen, afbreken van organismen. Deze kringloop kan meer of minder gesloten zijn wanneer de afbraak en hergebruik, of het afvoeren van voedingsstoffen gelijk is aan de aanvoer. De kringloop is direct als het gewas afsterft tot een strooisellaag en daarna tot voeding van de nieuwe planten dient. De kringloop is indirect als dit via grazers en mest gebeurt.
  • Versnippering: Het opknippen van het landschap met wegen, op- en afritten, afrasteringen en dergelijke kan leiden tot het versnipperen van percelen en groeiplaatsen van vegetatie op waterkeringen. De snippers zijn minder levensvatbaar voor de plantensoorten. Als een soort door omstandigheden verdwijnt is de kans op spontane hervestiging klein. De beheerder kan kiezen voor verschillende methoden om de plant weer terug te krijgen, zie bij inzaai en doorzaai.
  • Wisselwerking wortel – spruit – verdamping

“Tussen de grootte van de spruit en wortel bestaat een vrij vaste relatie als gevolg van een functioneel evenwicht. Dit variabele evenwicht is gebaseerd op de onderlinge afhankelijkheid van de bovengrondse delen, vooral de bladmassa, en de ondergrondse delen, vooral de werkzame wortels. De groei van de wortels is afhankelijk van de stoffen die de bladeren produceren (assimilaten) en de bladeren zijn weer afhankelijk van het vocht en de mineralen die de wortels leveren. Omdat water in grote hoeveelheden wordt gebruikt is dit een sterk werkzame factor. De wortels moeten in staat zijn de benodigde hoeveelheid op te nemen. Het is gebleken dat de functionele worteloppervlakte in de bodem redelijk vergelijkbaar is met de bladoppervlakte, effectief in de verdamping. Veel licht, sterke verdamping en arme bodem resulteren in relatief grote wortelstelsels, al kan de plant soms klein zijn. Rijke condities in de bodem resulteren in een relatief grote spruit, met relatief weinig wortels.

Door grote wisselingen in de omstandigheden door de seizoenen, de groeicyclus van de plant of het klimaat, worden er soms aan de mogelijkheden voor opname door wortels hoge eisen gesteld. Planten met een minder goed ontwikkeld wortelstelsel zullen in die omstandigheden eerder te gronde gaan.” (Locher&Bakker, 1991, par. 17.4.1)

  • Zelfdestructie: bij sommige plantensoorten treedt na verloop van tijd zelfdestructie op. Zodra de populatie een bepaalde grootte en dichtheid heeft bereikt veroorzaakt dit een (sterke) afname van de mate van aanwezigheid van de soort. Een voorbeeld hiervan is Jakobskruiskruid. Onder bepaalde omstandigheden wordt een optimum bereikt waarna de populatie snel in omvang en dichtheid afneemt. De oorzaak hiervan is nog niet exact bekend maar gedacht wordt aan bodemschimmels en bodembacteriën. In de toekomst kan dit gegeven een toepasbare rol krijgen in het voorkomen van probleemsoorten door de geschikte bodemomstandigheden van deze probleemsoorten te verminderen of juist gunstige omstandigheden voor gewilde soorten te stimuleren.