De dijkvegetatie kan één of meerdere functies hebben die bepalend zijn voor de streefbeelden.

We gaan onderstaand in op:

  • Waterstaatkundige functie
  • Licht agrarische functie
  • Landschappelijke functie
  • Ecologische functie voor fauna
  • Bloemdijken

Andere functies, zoals recreatieve, komen in dit menu niet aan bod. Zie daarvoor de functie-eisen.

Voor het historische begrip, zie: de achteruitgang van dijkgraslanden in de periode 1950-1990, beschreven bij Bloemdijken.

Elke functie kun je in principe een waarde toekennen. Zo is een waarde te geven aan de bijdrage van wilde bijen die nestelen op bloemdijken aan de bestuiving van fruitteelt in de nabije omgeving. Dit is meer het onderwerp van een businesscase, wat buiten het doel van deze handreiking valt. We gaan daarom niet verder in op de waardetoekenning bij de functies.


Doorworteling Vechtdijk (foto WDOD)

Doorworteling Vechtdijk (WDOD)


Waterstaatkundige functie

Erosiebestendigheid

Zonder dijken zou een groot deel van Nederland onder water staan of regelmatig overstromen. Daarom is het van groot belang dat de dijken die ons beschermen bestand zijn tegen de huidige en toekomstige hoge waterstanden van de rivieren en de zee. Daartoe moeten ze stabiel en erosiebestendig zijn.
De erosiebestendigheid van de toplaag inclusief de dijkvegetatie wordt bepaald door de samenstelling van de toplaag in combinatie met de samenstelling en structuur van de dijkvegetatie. Het bovengrondse deel van de dijkvegetatie zorgt ervoor dat de erosiekrachten van het langsstromend water niet rechtstreeks de toplaag van de bodem raken.

Hierover is veel te lezen in de Handreiking Toetsen Grasbekledingen op Dijken t.b.v. het opstellen van het beheerdersoordeel (BO) in de verlengde derde toetsronde, [RWS, 2012]. We verwijzen naar de volgende informatie:

  • Par. 3.2 Beschrijving vegetatie-eigenschappen
  • Par. 3.3 Beschrijving grond
  • Hoofdstuk 4  Hydraulische belasting
  • Hoofdstuk 5  Faalmechanismen grasbekleding

Falen toplaag en reststerkte

De erosiebestendigheid van een grasbekleding wordt primair bepaald door de sterkte van de toplaag. Als deze faalt, dan wordt de reststerkte van de onderlaag aangesproken. Falen van de toplaag in het geval van golfoverslag en golfoploop, en daarmee het moment waarop de reststerkte bij golfoverslag wordt aangesproken, treedt op als aan één of aan beide van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. De erosiediepte wordt groter dan de toplaagdikte van 0,2 m.
  2. Een gatafmeting dieper dan de toplaagdikte van 0,20 m van maximaal 0,15 m x 0,15 m

Ad 1) De graszode en een gedeelte van de toplaag mag zijn beschadigd en kan zelfs over grote oppervlaktes zijn verwijderd. Het resterende deel van de toplaag bevat nog wortels die het restant van de toplaag goed bij elkaar houdt. Bij deze beschrijving bezit de toplaag nog sterkte en faalt nog niet. Wordt de erosiediepte groter dan de toplaagdikte van 0,2 m dan faalt de toplaag wel.

Ad 2) Op een beperkt oppervlak van maximaal 0,15 m bij 0,15 m mag een gat in de toplaag aanwezig zijn, zonder dat de toplaag faalt. De golfoverslagproeven hebben namelijk laten zien dat de stroming weinig grip heeft op deze kleine beschadigingen. Zo een kleine beschadiging ontstaan door het wegslaan van een paaltje bij een groot overslagvolume of bij een kleine initiële schade bijvoorbeeld door een molgang. De toplaag faalt dan nog niet. Indien het gat in de toplaag echter groter wordt, dan faalt de toplaag wel.

>>>

Doorworteling

Daarnaast zorgt de doorworteling voor een prima wapening van de toplaag waardoor die een ongekende sterkte krijgt, wat is gebleken uit grootschalige golfoploop- en golfoverslagproeven [RWS, 2012].

Hoe meer verschillende soorten grassen en kruiden, hoe beter de wortels zijn verspreid over de toplaag, zowel in de breedte als in de diepte. Een soortenrijke dijkvegetatie levert zodoende een grote bijdrage aan de erosiebestendigheid van onze dijken.

Alhoewel het WBI2017 bij de bepaling van de kwaliteit van de grasbekleding niet meer uitgaat van de doorworteling zoals die werd gehanteerd in de VTV2006, is het zonder meer duidelijk dat een goed doorwortelde zode met diverse wortels een grotere sterkte heeft dan een zode met beperkte of monotone wortels. Verschillende gras- en kruidensoorten hebben verschillende worteleigenschappen. Sommige soorten stoelen uit in de breedte (vormen nieuwe spruiten), andere soorten wortelen diep. Een grotere diversiteit aan soorten leidt derhalve tot een grotere diversiteit aan worteltypen en dus voor een betere doorworteling van de bodem. Daarnaast maakt het de bekleding minder kwetsbaar voor uitdroging.

Een positieve relatie tussen bedekking en de doorworteling van de toplaag wordt getoond in figuur 007, waarbij een grotere bedekking van de vegetatie leidt tot een betere doorworteling.

Figuur 007. Relatie tussen de bedekking door de vegetatie en de totale doorworteling (data: WSRL)


Licht agrarische functie

Onder licht agrarische functie verstaan we dat een dijk wordt beheerd zodat voldaan wordt aan de civieltechnische eisen, maar dat er ook ruimte is voor agrarisch gebruik. Dit kan in de vorm van beweiding of het winnen van maaisel als veevoer.

Maaien en afvoeren met het toestaan van een lichte mestgift (70 kg N per ha) rekenen we ook tot een licht agrarische functie. Deze mestgift draagt bij aan een gesloten grasmat mits het maaibeheer daarop is afgestemd. Dit soort graslanden hebben doorgaans een lage ecologische waarde, maar zijn interessanter voor de agrarische bedrijfsvoering en kunnen door uitgifte aan contractanten eventueel goedkoper zijn in het onderhoud.

Dijkgras kan ook interessant zijn als voer voor paarden. Vooral schrale taluds met een vezelrijke en eiwitarme vegetatie zonder Jakobskruiskruid zijn hiervoor geschikt. Uiteraard worden de paarden niet ingezet voor beweiding maar is maaien en het maaisel afvoeren in de vorm van hooi de geschikte beheervorm.

Dit beheer kan gepaard gaan met andere waarden:

  • Cultuurhistorische waarde: schapenhouderij.
  • Landschappelijke waarde: oude steile dijken met schapenbeweiding. Dit heeft bij standbeweiding wel een keerzijde: het ontstaan van schapenpaadjes op het talud. Dit microreliëf is ongunstig voor de erosiebestendigheid.
  • Natuurwaarde: oude schapenweiden kunnen een relatief hoge soortenrijkdom hebben met zeldzame soorten. Doordat schapen bij extensieve beweiding ook zorgen voor verschillen in de vegetatiestructuur biedt dit meer leefruimte voor fauna. Langdurig intensieve beweiding met mestgift leveren een goede bekleding maar kunnen toch ook leiden tot monocultures.

Landschappelijke functie

Dijken zijn karakteristiek voor Nederland met haar grote rivieren en lange kustzone en bieden vaak nog een weerslag van de kleinschaligheid waarmee ze vroeger werden aangelegd en steeds weer verhoogd en versterkt. Noord-Holland kenmerkt zich door de oude dijken langs droogmakerijen, Zeeland door de vele oude zeedijken die inmiddels in het droge liggen. Het zijn opvallende, lintvormige elementen in het landschap die van oudsher een verbindingsroute vormen voor mensen, dieren en planten. Dit heeft geleid tot een karakteristiek aanzicht van het gebied van de grote rivieren en van de overige gebieden die grenzen aan het ‘bedreigende’ water.

In de 90er jaren van de vorige eeuw is (vaak met succes) gestreden voor het behoud van deze karakteristieke aanblik bij dijkversterkingsrondes. De enorme groene zeedijken die sinds de ramp in 1953 zijn aangelegd, zijn trouwens inmiddels ook karakteristiek voor ons deltaland.

Oude dijk

Oude dijk


Ecologische functie fauna

De natuurwaarde van dijkgraslanden bestaat voornamelijk uit de ecologische functie. Dijkgraslanden kunnen een belangrijke bijdrage leveren voor een goede insectenstand. Voor bestuivers, zoals hommels, bijen en dagvlinders kunnen dijken een belangrijk onderdeel van het leefgebied vormen. In toenemende mate blijkt de afname van bestuivers in intensieve agrarische landschappen een probleem. In het huidige landschap zijn te weinig overhoekjes met bloemen voorhanden, waardoor ook landbouwgewassen steeds moeizamer de noodzakelijke bestuiving verkrijgen. Voorwaarde is dat ze bloemrijk en liefst ook soortenrijk zijn en dat de aanwezige plantensoorten de kans krijgen te bloeien. Het tijdstip van het onderhoud speelt hierbij en belangrijke rol.

Dijkgraslanden bieden ook schuilgelegenheid en gelegenheid voor overwintering voor tal van insectensoorten. In welke mate wordt bepaald door de frequentie, de tijdstippen en de intensiteit van het beheer. Een minder intensief beheer met beheertijdstippen die vallen buiten de bloeiperiode en waarbij af en toe delen van de vegetatie blijven staan levert de meeste meerwaarde voor de insectenfauna. Daarnaast vormen lintvormige dijken een verbindingsroute tussen verschillende gebieden. Zie ook faunavriendelijk beheer.

Het is te verwachten dat factoren die een positief effect hebben op de soortenrijkdom van de vegetatie ook positief zijn voor de fauna. Tot dusver is niet bekend of in rijke dijkvegetaties ook een bijzondere insectenfauna met veel bestuivers aanwezig is en welke invloed verschillende beheerregimes hebben.

>>>

Het is te verwachten dat factoren die een positief effect hebben op de soortenrijkdom van de vegetatie ook positief zijn voor de fauna. Tot dusver is niet bekend of in rijke dijkvegetaties ook een bijzondere insectenfauna met veel bestuivers aanwezig is en welke invloed verschillende beheerregimes hebben.

Aan de andere kant blijkt ook vaak dat een floristisch goed beheer niet altijd ook goed uitpakt voor de fauna. Ook kan blijken dat een beheerregime misschien niet de meest optimale situatie bereikt, maar dat met minder kosten toch een groot deel van de soorten gefaciliteerd worden.

Er is onderzoek gedaan naar het effect van ecologisch beheer op schrale, brede wegbermen (Noordijk, J., 2009) en naar de ecologische betekenis van spoorwegen voor de flora en fauna (Koster, 1991). De beheersregimes die hier werden onderzocht, verschillen op een aantal punten van het onderhoud zoals dat aan dijken gebeurt: de wegbermen waren schraler, grensden soms aan natuurgebieden en bij zowel de wegbermen als de spoorwegen bestond de mogelijkheid om een deel van de vegetatie jaarrond te laten staan. Een gedegen onderzoek naar het effect van het beheer van dijken op insectenfauna is nog niet uitgevoerd, waardoor doelgericht beleid en beheer niet mogelijk is.

In 2015 is Waterschap Rijn en IJssel op een aantal locaties in dijkring 48 gestart met een pilot bijvriendelijk dijkbeheer. Hiervoor zijn vooral locaties geselecteerd met een goede, bloemrijke vegetatie (VTV2007 vegetatietypen H2 en H3). Het beheer bestaat uit gefaseerd maaibeheer waarbij telkens 1/3 deel van een dijktraject niet wordt gemaaid tijdens de voorjaarsmaaibeurt in juni. Elk jaar wordt een ander deel overgeslagen bij de voorjaarsmaaibeurt. Dit om verruiging van de vegetatie tegen te gaan. Er is nog geen direct onderzoek verricht aan de insectenfauna.

We zijn dus op zoek naar een waterkeringbeheerder die bereid is hier verder onderzoek naar te laten doen!

(Bron: Projectvoorstel Monitoring insectenfauna op waardevolle dijken, Ecologisch adviesbureau Stachys)

Blauwtje (WVV)

Blauwtje (WVV)

Grote kaardenbol met hommel (EurECO)

Grote kaardenbol met hommel (EurECO)


Bloemdijken

Peter Glas, voormalig voorzitter van de Unie van Waterschappen en op 01-01-2018 watergraaf van Waterschap De Dommel, heeft in december 2015 de waterkeringbeheerders opgeroepen te gaan werken aan de ontwikkeling en het behoud van bloemdijken. Deze oproep is inmiddels doorgedrongen tot het bestuurlijk niveau van verschillende waterkeringbeheerders en her en der ontstaan er momenteel initiatieven voor het behoud van bestaande bloemdijken en het aanleggen van nieuwe.

Bloemdijken beschouwen we in deze handreiking grasbekleding als een bestuurlijke keuzen. Volgens het WBI2017 is voor de veiligheid van de waterkering alleen een gesloten en goed doorwortelde zode nodig. Vanuit maatschappelijk oogpunt gezien hebben waterkeringbeheerders natuurlijk de taak breder te kijken bij beleidskeuzes en beheervisie. Hierbinnen past het streven naar bloemdijken. Voor meer informatie zie: bloemdijken.

Vogelmelk (EurECO)

Vogelmelk (EurECO)