Een grasbekleding op een dijk bestaat uit een graslandvegetatie die is geworteld in grond, de deklaag. De vegetatie bestaat bovengronds uit de stoppel en het gewas en ondergronds uit wortels. In de vegetatie kunnen, naast veel grassen, ook kruidachtige gewassen aanwezig zijn. Door de wijze van onderhoud voorkomt de beheerder de vestiging van houtige gewassen en hoog opschietende ruigtekruiden. Voor het beoordelen van de erosiebestendigheid wordt de volgende opbouw van de grasbekleding gehanteerd. Op een andere pagina meer over soorten die indicatief zijn voor erosie eigenschappen.

Onderstaand gaan we  in op:

  • graszode
  • deklaag
  • seizoensverloop in de doorworteling
  • dikte van de deklaag en de beoordeling.

Op andere pagina’s is meer te vinden over klei, zand, doorworteling en cementatie.

Graszode

De graszode is het bovenste deel van de toplaag dat intensief is doorworteld. Het bestaat uit de bodem (substraat) plus wortels. In de zode zijn de wortels van individuele spruiten meestal sterk vervlochten. De zode is gewoonlijk tot ca. 5 cm dik maar kan ook tot 10 cm. dik zijn.

De bovengrondse vegetatie kan bestaan uit een samenstelling van:

  • Grassen: Individuele plantensoort of begroeiing met een grasachtig uiterlijk. Echte grassen (Poaceae) of verwante eenzaadlobbige soorten zijn dominant of beeldbepalend. Wanneer we spreken over de verzameling van meerdere plantensoorten gebruiken we de term ‘grasland’ of ‘grasvegetatie’.
  • Kruiden: Tweezaadlobbige plantensoorten, vaak gekenmerkt door een weinig ‘grasachtig’ uiterlijk en – in vergelijking met grassen – veel opvallender bloemen. In natuurlijke graslanden en ook op de meeste dijkgraslanden komen naast grasachtigen ook kruiden voor.
  • Ruigte: Begroeiing met dominantie van doorgaans vrij forse en hoog opgaande plantensoorten. Dit kunnen forse grassen zijn, zoals Kropaar (Dactylis glomerata) of Kweek (Elytrigia repens). Maar vaak domineren kruiden zoals Fluitenkruid (Anthriscus sylvestris), Gewone berenklauw (Heracleum sphondylium), Grote brandnetel (Urtica dioica) of Japanse duizendknoop (Fallopia japonica). Kenmerkend voor veel ruigtevegetaties is de relatief lage soortenrijkdom en de matig tot zeer slechte bedekkings- en doorwortelingsgraad.
Diverse zodes

Diverse zodes

Stoppel of groeipunt.

Het groeipunt is een kritisch onderdeel van de plant van waaruit nieuwe bladeren worden gevormd. Als het groeipunt met de oogst wordt weggenomen, dan is de plant vanaf dat moment niet meer in staat te groeien. De groeipunthoogte varieert per plant, van vlak boven de grond liggend tot 15 cm hoogte. Bij het maai- of beweidingsbeheer moet deze punt dus worden beschermd. (Vakblad Elite, 12-07-2017)

Doorworteling

De toplaag van de bodem is doorworteld. Die toplaag is in te delen in verschillende zones. De wortels houden de bodemdeeltjes bij elkaar en zorgen voor de erosiebestendigheid. Mede doordat in de bodem allerlei processen op gang komen die zorgen voor meer samenhang in de minerale delen. Meer hierover is te lezen bij doorworteling.

Deklaag

De deklaag bestaat uit:

  • Toplaag Het doorwortelde deel van de deklaag, bestaande uit substraat (klei, zand) plus wortels; de dikte wordt gesteld op ongeveer 0,2 m; de graszode is onderdeel van de toplaag, maar ook het minder doorwortelde deel onder de graszode hoort tot de toplaag.
  • Onderlaag Het nauwelijks doorwortelde deel van de deklaag, onder de toplaag gelegen. De wortels zijn zeer belangrijk voor de erosiebestendigheid van de toplaag en spelen nauwelijks meer een rol in de onderlaag. Als er een duidelijke bekledingslaag op een (zand)kern is aangebracht, dan is de dikte van die laag bekend en daarmee ook de dikte van de onderlaag. Als de dijk volledig uit klei bestaat, dan is er geen definitie van de dikte van de onderlaag beschikbaar.
Dunne kleilaag op zandondergrond (WSRL

Dunne kleilaag op zandondergrond (WSRL)

 Granulaire samenstelling

In NEN 5104 wordt de grondsoort klei gedefinieerd als een natuurlijke grond met een samenstelling gebaseerd op de massapercentages lutum, silt
en zand.

De granulaire samenstelling omvat de korrelgroottes van de minerale deeltjes in de bodem. Het formaat van de deeltjes bepaalt voor een groot gedeelte de basale erosiebestendigheid van het dijklichaam maar ook de kans op de doorworteling (lengte, groeisnelheid en dichtheid) van de toplaag. Op basis van de korrelgrootte worden de minerale deeltjes in de bodem ingedeeld in vier fracties (zie tabel 001).

De granulaire samenstelling van de toplaag van dijken wordt uitgedrukt in de verdeling van de fracties lutum, silt en zand.

Bodemsoort Korrelgrootte (mm)
Lutum <0.002
Silt 0.002-0.063
Zand 0.063-2
Grind 2-63

Tabel 001. Korrelgrootte per bodemsoort (Naar: Verruijt, 2001)

Meer over de relatie tussen bodemsoort en vegetatie staat bij standplaatsomstandigheden.

Seizoensverloop doorworteling.

Volgens [Schaffer et al, 2014] kent de doorworteling van een dijkgrasland een seizoensverloop:

Een seizoenseffect in de doorworteling van dijkgrasland blijkt duidelijk waarneembaar, ook met de in het veld gebruikte, gangbare handmethode. De periode met hoge worteldichtheid loopt van maart tot en met juli (augustus). De periode met lage worteldichtheid begint direct na de zomer in september en loopt tot en met februari. De onderzoeksresultaten bieden de mogelijkheid om metingen in het zomerseizoen om te rekenen naar een winterbepaling. De grootte van het seizoenseffect bedraagt ongeveer 0,35 op de klasseschaal van worteldichtheid. Dit geldt voor de bodem van 5 tot 20 cm diepte (in de bovenste twee bodemlagen is het effect kleiner). In termen van kwaliteitsbeoordeling volgens VTV criteria (worteldichtheidsdiagram) komt dit overeen met ca. 0,5 kwaliteitscategorie.

Goed doorworstelde zode

Goed doorwortelde zode

Over dikte en samenstelling van de lagen en beoordeling meer onder Beoordeling.