Pitrus gedijt op allerlei vochtige, kalkarme tot kalkloze standplaatsen, maar vooral op matig tot sterk zure, tenminste ’s winters natte grond die onder een zekere invloed van bemesting staat of gestaan heeft. Pitrus voelt zich thuis in zure milieus met onregelmatige waterstandsschommelingen en op verslempte grond. Talrijk optreden van Pitrus is veelal een teken dat een biotoop uit zijn evenwicht is gebracht. Dit kan zijn veroorzaakt door verstoring van de waterhuishouding, door bemesting in van nature voedselarme omgeving of door beweiding van gronden die hiervoor door drassigheid en/of voedselarmoede minder geschikt zijn.

Opvallend aanwezig is Pitrus in slechte weiden op laaggelegen zand-, leem- en veengronden waarvan de ontwatering landbouwkundig gezien ontoereikend is. De zaden behouden in de grond lang hun kiemkracht en kiemen zodra ze door betreding weer aan de oppervlakte worden gebracht. In verwaarloosde laaggelegen weilanden die opnieuw in begrazing worden genomen kan Pitrus explosief te voorschijn komen.

Op dijken wordt Pitrus vooral aangetroffen op de laaggelegen, nattere delen: op het onderste deel van het talud en de onderberm en op de taluds van de kwelsloot. Alleen op dijken met een venige toplaag met een hoog gehalte aan organisch materiaal (en dus een hoog vochthoudend vermogen) komt Pitrus over de gehele dijk voor.

Dominant voorkomen van Pitrus op een dijk duidt meestal op de aanwezigheid van een relatief zure grondsoort op de dijk, met een relatief hoog gehalte aan organisch stof. Vaak in combinatie met enige verdichting en/of verslemping van de bodem.