Bodemfactoren hebben invloed op het vegetatietype dat zich ontwikkeld.

We kijken onderstaand naar:

  • het lutumgehalte
  • het stikstofgehalte
  • het fosforgehalte
  • de zuurgraad


Vegetatietype en lutumgehalte

Figuur 008 laat zien op welke gemiddelde bodemtypen de verschillende VTV-vegetatietypen het best groeien. Ontwikkelde vegetaties doen het vaak beter op lagere lutumgehaltes, terwijl H1, W1 en ruderale (ruigte) en pioniersgemeenschappen op gemiddeld zware klei stabiel blijven

Figuur 008. Gemiddeld lutumgehalte per vegetatietype (VTV2006) (data: WSRL)

Figuur 008. Gemiddeld lutumgehalte per vegetatietype (VTV2006) (data: WSRL)

Voor een verklaring van (afkortingen in) de figuur, zie Toelichting op de figuren.


Vegetatietype en stikstofgehalte

In figuur 009 is te zien dan voedingstoffen (nutriënten), en met name een overvloed daaraan, de ontwikkeling van een ontwikkelde vegetatie met veel verschillende soorten zou kunnen tegengaan. De minst ontwikkelde vegetaties (H1, W1 en ruderale en pioniervegetaties) staan doorgaans op bodem met veel stikstof. Beter ontwikkelde vegetaties staan op bodems die iets schraler zijn.

De zuurgraad van de bodem (pH) verschilt per vegetatietype, zoals te zien is in figuur 011. Zuurdere bodems duiden vaak op een hoger lutumgehalte, meer organische stoffen en nutriënten in het substraat. In de bodem van ruderale (ruigte) of pioniervegetaties of beginnende vegetatieontwikkeling (H1 of W1) is dan ook vaak een lagere pH te meten dan in meer ontwikkelde vegetaties of vegetaties van een betere kwaliteit. Dit is goed te zien in H1 t/m H3 vegetaties. In weilandvegetaties is het minder eenduidig en groeit een W2 vegetatie op bodems met de hoogste pH.

Figuur 009. Gemiddeld stikstofgehalte (in mg N/kg) (Wamelink-indicatoren) per vegetatietype (VTV2006) (data: WSRL).

Figuur 009. Gemiddeld stikstofgehalte (in mg N/kg) (Wamelink-indicatoren) per vegetatietype (VTV2006) (data: WSRL).

Voor een verklaring van (afkortingen in) de figuur, zie Toelichting op de figuren.


Vegetatietype en fosforgehalte

Ditzelfde geldt ook voor het fosfor (of fosfaatgehalte) (figuur 010), waarbij de vermindering van fosfor met name effect kan hebben op de ontwikkeling van soorten die horen bij weidevegetatie (W1 naar W3).

Figuur 010. Gemiddeld fosforgehalte (in mg P/kg) (Wamelink-indicatoren) per vegetatietype (VTV2006) (data: WSRL).

Figuur 010. Gemiddeld fosforgehalte (in mg P/kg) (Wamelink-indicatoren) per vegetatietype (VTV2006) (data: WSRL).

Voor een verklaring van (afkortingen in) de figuur, zie Toelichting op de figuren.


Vegetatietype en zuurgraad

De zuurgraad van de bodem (pH) verschilt per vegetatietype, zoals te zien is in figuur 011. Zuurdere bodems duiden vaak op een hoger lutumgehalte, meer organische stoffen en nutriënten in het substraat. In de bodem van ruderale (ruigte) of pioniervegetaties of beginnende vegetatieontwikkeling (H1 of W1) is dan ook vaak een lagere pH te meten dan in meer ontwikkelde vegetaties of vegetaties van een betere kwaliteit. Dit is goed te zien in H1 t/m H3 vegetaties. In weilandvegetaties is het minder eenduidig en groeit een W2 vegetatie op bodems met de hoogste pH.

Figuur 011. Gemiddelde bodem-pH (Wamelink-indicatoren) per vegetatietype (VTV2006) (data: WSRL).

Figuur 011. Gemiddelde bodem-pH (Wamelink-indicatoren) per vegetatietype (VTV2006) (data: WSRL).

Voor een verklaring van (afkortingen in) de figuur, zie Toelichting op de figuren.