De beheerder heeft een enorme keuze voor onderhoudsvormen, ook binnen beweidingsbeheer zijn varianten. Hieronder bespreken we de meest gebruikte bij dijkbeheer, de keuze van de vorm hangt af van de omstandigheden.

In onderstaande tabbladen bespreken we de volgende maaivormen:

  • Standbeweiding extensief
  • Periodieke beweiding binnen vaste rasters
  • Drukbeweiding met flexnetten of vaste rasters
  • Drukbeweiding met herder

Per vorm komen de volgende aspecten aan bod:

  • definitie
  • effect
  • uitvoering
  • risico’s
  • maaisel

De volgende pagina’s gaan over beweidingsbeheer:


Vorm Standbeweiding extensief (10 schapen/ha) in de periode april-oktober
Definitie Beweiding met een lage beheerintensiteit van 10-15 schapen per ha. [Fliervoet, 1992]. Wordt ook wel ‘jaarrond beweiding’ genoemd, al is die term niet correct omdat de schapen in de winter niet op de dijk staan. Seizoensbeweiding zou beter passen.
Effect
  • Doel

Standbeweiden wordt vaak kleinschalig ingezet nabij huispercelen waar onderhoudsnemers (hobbymatig) schapen houden.

  • Gewas

Standbeweiden leidt tot een relatief laag blijvende, soortenarme, monotone en homogene grasbekleding waarin weidesoorten de overhand hebben. Door de lage vegetatie neemt de kans op mossen toe. De doorworteling zal minder zijn.

  • Flora en Fauna

Deze vorm biedt weinig kansen voor de ontwikkeling van flora en vestiging van fauna omdat weinig diversiteit kan ontstaan doordat schapen voorkeursgedrag hebben voor het ‘snoepen’ van de bloemen. De soortenrijkdom blijft relatief laag (gemiddeld 26 soorten per 25 m2).

Uitvoering
  • Frequentie: ‘jaarrond’, al horen de schapen zeker ’s winters niet op de waterkering.
  • Tijdstip: Tussen 1 april en 1 oktober. In de wintermaanden geen beweiding. Aan het eind is het nodig houtachtigen en ongewenste soorten te bloten.
  • Type grazer: Schapen
  • Materiaal: Vast raster is noodzakelijk, ook drink- en eventueel bijvoederbakken (niet aan te bevelen). Verplaats de bakken geregeld en verwijder die buiten de beweidingsperiodes. De aanwezigheid van een vast raster maakt de kans op uitbreken van schapen wat kleiner. Bosmaaier of maaibalk voor bloten van resterende (ongewenste) kruiden.
  • Voorzorgsmaatregelen Natuurbeschermingswet: Zie Gedragscode Wet Natuurbeheer (Wnb) voor waterschappen.
  • Het kan vanuit beleidsmatig oogpunt een voordeel zijn om kleine onderhoudsnemers met deze vorm een kans te geven.
Risico’s
  • Een risico is dat het vee te laat wordt ingeschaard waardoor er te veel biomassa is gevormd. De schapen krijgen die niet weggevreten en lopen een deel van de vegetatie plat, wat kan leiden tot een viltlaag. Ook laten ze de minder eetbare soorten staan. Platliggend gras is ook niet meer geschikt voor maaien of bloten.
  • Een risico is ook dat de graszode geen tijd krijgt voor bloei, zaadzetting en herstel. De botanische doelstelling is niet haalbaar: schapen hebben een voorkeur voor lekkere planten en bloemen en grazen die gelijk weg.
  • Door langdurige aanwezigheid van de dieren zullen schapenpaadjes ontstaan en microreliëf in het talud. Lig- en drinkplaatsen en bijvoederbakken versterken dit.
  • De aanwezigheid van een raster op het buitentalud vergroot de kans op problemen met drijfvuil.
  • De volgende schades kunnen ontstaan. Microreliëf in de vorm van schapenpaadjes, wat negatief uitpakt bij de beoordeling van de grasbekleding. Open plekken en spoorvorming door intensief belopen. Houtopslag, bepaalde onkruiden en ruigteplekken doordat grazers deze soorten laten staan. Randen met ruigte en houtopslag langs de rasters.