We gaan onderstaand in op:

  • Begrazingstijdstip en -periode
  • Mogelijke problemen bij begrazing
  • Soort grazer

Beweiding extensief, vast raster (EurECO)

Beweiding extensief, vast raster (EurECO)

Begrazingstijdstip en -periode

Op de meeste dijken moet het maaibeheer en de beweiding plaatsvinden in de periode 1 april tot 1 oktober. Bij gunstige weersomstandigheden kan ook na 1 oktober worden gemaaid en beweid (bijvoorbeeld bij sterke nagroei).

Het is belangrijk dat de begrazing start voordat het gras te lang is en ten gevolge van regen plat slaat op het talud. Schapen kunnen daar vaak nog wel wat mee doen, maar het risico bestaat dat ze het gewas plat trappen en niet meer afgrazen. Namaaien of bloten is dan ook niet meer mogelijk.

Bij een monotone, soortenarme dijkvegetatie is het tijdstip van begrazing niet van belang. Bij een meer gevarieerde, soortenrijke dijkvegetatie kan de soortenrijkdom worden behouden of zelfs verder worden verhoogd door niet te begrazen tijdens de bloei en zaadzetting (grofweg: 15 mei – 21 juni). Een soortenrijk weiland heeft meestal een relatief lage biomassaproductie waardoor het uitblijven van begrazing gedurende een aantal weken geen kwaad kan.

Mogelijke problemen bij begrazing

  • Te laat inscharen: het gewas is te lang en kan niet meer worden afgegraasd.
  • Te lang laten grazen: de zode wordt te kort afgeweid en biedt kans aan ongewenste soorten en ontwikkeling van mos. Door de looproutes van de dieren ontstaan schapenpaadjes (kaal en microreliëf).
  • Te kort laten grazen: het gewas wordt onvoldoende kort afgegraasd en met name de minder aantrekkelijke soorten blijven over in de grasbekleding.
  • Natte omstandigheden kunnen leiden tot het kapottrappen van de zode.

Intensief beweid te lang gras is gaan liggen (WSRL)

Intensief beweid, te laat gestart: gras is gaan liggen (WSRL)

Schaap bij djikpaal (EurECO)

Texelaar (EurECO)

Soort grazer

Op dijken verdienen schapen de voorkeur boven runderen en paarden. Op regionale keringen wordt door de keringbeheerder regelmatig gebruik gemaakt van runderen voor de begrazing, maar die kunnen op steilere taluds relatief diep uitgesleten looppaden of schuurplaatsen vormen met een breedte tot 60 cm. Deze paden zijn niet meer doorworteld en daardoor gevoelig voor erosie. Dit maakt runderen niet geschikt voor de begrazing van primaire keringen. Paarden zijn niet geschikt vanwege hun beweeglijkheid in combinatie met hun gewicht, waardoor schade kan optreden aan de grasbekleding. Ook geiten zijn niet geschikt voor begrazing van dijken: er bestaat een te groot risico op uitbraak met alle gevolgen van dien.

Van belang is ook wel soort schaap wordt gebruikt. Texelaars zijn met name dol op eiwitrijke grassen als Engels raaigras. Texelaars zijn met name geschikt voor extensieve standbeweiding waarin ze de vegetatie die grotendeels bestaat uit Engels raaigras steeds op een bepaalde hoogte en in dezelfde structuur en samenstelling houden. Bij schrale dijkvegetaties met relatief veel kruiden bestaat de kans dat ze te weinig consumeren. Meer geharde schapensoorten (bv. Drents heideschaap x Suffolk) zijn beter geschikt voor begrazing van soortenrijke dijken en hebben geen probleem met wat ouder en langer gras.

Drents heideschaap (Wikipedia)

Drents heideschaap (Wikipedia)