De grasbekleding moet dienend zijn aan de verschillende functies van de dijken. We gaan er van uit dat de verschillende functies elkaar niet uitsluiten maar tezamen een meerwaarde kunnen hebben. De waterkeringbeheerder begint met het formuleren van een visie op zijn grasbekleding. Die vertaalt hij naar concrete streefbeelden en tot slot kiest hij de beheervorm en het onderhoud dat daarbij hoort.

De waterkeringbeheerder zal altijd eerst rekening moeten houden met de opbouw en ligging van de waterkering. Het bodemmateriaal, de ligging ten opzichte van de zon, de aanwezige voedingsstoffen zijn van groot belang voor het type vegetatie dat kan worden ontwikkeld. Daarnaast hebben externe (weers-)omstandigheden ook invloed in de ontwikkeling van het vegetatietype.

De waterkeringbeheerders gebruiken de visie en streefbeelden om toe te werken naar een vegetatietype via aanleg, ontwikkelings– of instandhoudingsbeheer. Wanneer de waterkeringbeheerder naar een ander type grasbekleding wil toe werken, is het aanpassen van het beheer noodzakelijk. Ook kan het nodig zijn herstelbeheer toe te passen om tot het gewenste vegetatietype te komen en de beoogde natuurwaarde te bereiken.

Dus:

  • De visie bepaalt het streefbeeld wat leidt tot de keuze van een beheervorm met bijhorende uitvoering van onderhoud.
  • De functie van de grasbekleding (erosiebestendigheid) vereist een bepaalde verschijningsvorm (gesloten zode), die bereikt wordt door een aanpak (maaibeheer) en werkvorm (2x maaien en afvoeren).

In een (fictief) voorbeeld is uitgewerkt hoe dit werkt in de praktijk.

Voorbeeld beheerkeuzes:

De waterkering is een primaire waterkering met aanliggend een terrein van Staatsbosbeheer buitendijks (noordhelling) en binnendijks aanliggend gedeeltelijk agrarisch land en gedeeltelijk bebouwing (zuidhelling). De dijk is buitendijks afgewerkt met een kleilaag cat. 1 die drie jaar geleden opnieuw is aangebracht. Door veranderende hydraulische voorwaarden is er sprake van overhoogte.

De waterkeringbeheerder heeft als wettelijk plicht een gesloten grasmat waar de erosiebestendigheid dit vereist. Daarnaast heeft het bestuur gekozen voor ‘bloemrijke dijken’ waar dat kan.

De beheerafdeling kan nu keuzes maken:

  1. Buitendijks (noordzijde) ligt aangrenzend een natuurterrein van Staasbosbeheer en binnendijks (zuid) agrarisch land en bebouwde kom.
  2. Een gesloten grasmat is de wettelijk eis, dit geldt voor het buitentalud. Vanwege de overhoogte geldt geen erosiebestendigheidseis voor het binnentalud.
  3. Omdat de nieuwe, vette klei nog weinig gestructureerd is en arm aan organisch materiaal wordt het ontwikkelbeheer buitentalud nog doorgevoerd tot en met jaar 6 na aanleg: mestgift op maat, incidenteel klepelen bij beperkte graslengte voor verhogen van organisch stofgehalte.
  4. Een bloemrijke dijk is het streven, maar op vette klei zal de soortenrijkdom minder zijn. Veel soorten gedijen niet op vette klei. De noordhelling is bovendien ongunstiger voor soortenrijkdom dan een zuidhelling.
  5. In het beheerplan worden de keuzes gemaakt:
  • noordhelling is streefbeeld gesloten of minimaal open bekleding, matig soortenrijk (tot 35 soorten), met 2x maaien en afvoeren per jaar;
  • zuidhelling is streefbeeld minimaal open bekleding, zeer soortenrijk, ook langs agrarisch gebied  met 2x maaien en afvoeren per jaar;
  • met tussen dijkpaal 25 en 29 gericht beheer op laag aantal Jakobskruiskruid vanwege aanliggende paardenweiden, handmatig verwijderen;
  • en op verzoek van de gemeente tussen dijkpaal 41 en 53 ruw gras binnen stedelijk gebied waar bewoners honden uitlaten (6x klepelmaaien per jaar).

Met de gemeente wordt een onderhoudsafspraak gemaakt over de bebouwde kom; de wegbeheerder neemt dit ruw gras mee in het maaibestek van de wegbermen.

Visie->Streefbeeld->Beheer->Onderhoud
FunctieVerschijningsvormAanpakWerkvorm
Bijv. erosiebestendigheid Bijv. gesloten zode volgens (WBI2017)Bijv. maaibeheer uitbesteedBijv. 2x maaien en afvoeren