Op de dijken in Nederland komen verschillende vegetatietypen voor die van elkaar verschillen in soortensamenstelling en structuur. Het vegetatietype wordt voor een groot deel bepaald door de standplaatsomstandigheden.

We beschrijven onderstaand over de vegetatietypen:

  • De relatie tussen vegetatietypen uit VTV20006 en WBI2017
  • Kwaliteitstypen WBI2017
  • Vegetatietypen VTV2006
  • Andere typologieën
  • Het voornemen voor het ontwikkelen van een determinatiesleutel met app.

Op andere pagina lees je meer over de:


Relatie tussen kwaliteitstypen WBI2017 en vegetatietypen uit VTV2006

Voor zover nu bekend bestaat er geen directe relatie tussen de vegetatietypen VTV2006 en de beoordelingscategorieën van WBI2017. De verwachting is wel dat de pioniervegetatie op zijn best ‘open’ scoort omdat daarin slechts een oppervlakkige doorworteling aanwezig is. Een erg jonge dijkvegetatie (< 1 jaar) valt meestal snel uit elkaar en zal slechts ‘fragmentarisch’ scoren. Ook de ruigte/ruig hooiland scoort waarschijnlijk op zijn best ‘open’ doordat de bedekking op maaiveldniveau hierin meestal relatief laag is. Een echte ruigte met dominantie van ruigtesoorten zoals Groot hoefblad, Ridderzuring, Grote brandnetel, Japanse duizendknoop en Reuzenberenklauw scoort waarschijnlijk zelfs vaak ‘fragmentarisch’ terwijl een ruig hooiland met nog een zeker aandeel aan grassen meestal ‘open’ zal zijn.


Kwaliteitstypen WBI2017

Ook het WBI2017 wordt gebruikt om het de type grasbekleding aan te geven. Het spreekt bij de beoordeling van de kwaliteit over de categorieën gesloten, open en fragmentarische grasbekleding. Deze typering heeft alleen een relatie met de waterveiligheid maar legt geen relatie met ecologische waarde. Voor meer informatie: zie Schematiseringshandleiding Grasbekleding, par. 6.5.1.

Hieronder herhalen we de definities uit die paragraaf. Die gaan over:

  • de bovengrondse delen: de grasbekleding;
  • de ondergrondse delen: de doorworteling.

Voor een overzichtelijke tabel en het uitvoeren van de beoordeling, zie: beoordeling.

Bovengronds:

Gesloten grasbekleding

Op het oog continue grasmat gedomineerd door grasblad en met, naar globale visuele inspectie, een representatieve grootte van open plekken tussen de planten minder dan ongeveer 0,1 m, welke in niet meer dan 10 % van het oppervlak tot 0,2 m mag bedragen. Er mogen niet meer dan 2 ondiepe (minder dan 0,1 m) beschadigingen per vierkante meter van de grasmat groter dan 0,15 x 0,15 m2zijn en gemiddeld over 25 m2niet meer dan 5 van zulke beschadigingen.

Open grasbekleding

Op het oog continue grasmat gedomineerd door grasblad en met, naar visuele inspectie, een representatieve grootte van open plekken tussen de planten minder dan ongeveer 0,1 m, welke in niet meer dan 25 % van het oppervlak tot 0,25 m mag bedragen. Er mogen niet meer dan 2 ondiepe (minder dan 0,1 m) beschadigingen per vierkante meter van de grasmat groter dan 0,15 x 0,15 m2zijn en gemiddeld over 25 m2niet meer dan 5 van zulke gaten.

Fragmentarische grasbekleding

Taludbegroeiing met meer dan 25 % van het oppervlak plantafstanden groter dan 0,25 m. Dit betreft veelal slechts individuele, losstaande planten, of pollen waartussen eventueel bodembedekkende kleinere planten die geen gesloten grasmat vormen.

Ondergronds:

Dicht wortelnet (dichte zode)

Het vergt enige moeite om een losgestoken zodeplag (ca. 0,25 x 0,3 m2) uiteen te trekken: zo blijft een plag van een dichte zode grotendeels intact bij losmaken van de ondergrond met een spade.

Open wortelnet (open zode)

Slechts met de nodige voorzichtigheid kan een intacte plag (ca. 0,25 x 0,3 m2) van de graszode gestoken worden met een spade (behalve als het vochtige keiige grond betreft die is verdicht bij betreden of het steken zelf).

Fragmentarisch wortelnet (fragmentarische zode)

Het is bijna niet mogelijk een intacte plag (ca. 0,25 x 0,3 m2) van het grondoppervlak te nemen (behalve als het vochtige kleiige grond betreft die is verdicht bij betreden of het steken zelf).

Voor een overzichtelijke tabel en het uitvoeren van de beoordeling, zie: Inspectie, beoordeling, monitoring en toezicht

Gesloten zode (Digigids)

Gesloten zode (Digigids)

Open zode (WSRL)

Open zode (WSRL)

Sterk verruigde bekleding (foto WSRL)

Sterk verruigde bekleding met daaronder een fragmentarische zode (WSRL)


Vegetatietypen VTV2006

De VTV2006 bepaalde de kwaliteit van de grasbekleding op basis van het beheertype (zie: beheercategorie), de vegetatiesamenstelling en de doorworteling.

De onderstaande indeling in vegetatietypen is hierop gebaseerd.

In hoofdstuk 4 van katern 8 van Voorschrift Toetsen op Veiligheid Primaire Waterkeringen (VTV2006) wordt ingegaan op de functie van de grasmat op dijken. In bijlage 8-1 van de VTV2006 worden 8 vegetatietypen onderscheiden: een pioniertype, drie weilandtypen en vier hooilandtypen. Aan elk type wordt een kwaliteit van de graszode toegekend op basis van de bedekking en de worteldichtheid. Voor alle duidelijkheid: het betreft een kwaliteitsaanduiding uit de VTV2006, niet die volgens het WBI2017.

Tabel vegetatietypen pionier_weiland VTV2006 tabel 8 -B1.2

Tabel vegetatietypen pionier_weiland VTV2006 tabel 8 -B1.2

Tabel vegetatietypen deel hooiland VTV2006 tabel 8 -B1.2

Tabel vegetatietypen deel hooiland VTV2006 tabel 8 -B1.2

Van 8 naar 13 vegetatietypen

In deze 8 vegetatietypen ontbreken de vegetatietypen die aanwezig zijn kort na aanleg en inzaai van dijken. Hierin kunnen Rood zwenkgras en Ruw beemdgras de dominante grassoort zijn. Op basis van de systematiek voor de 8 vegetatietypen zijn 5 extra vegetatietypen onderscheiden: 3 met Rood zwenkgras als dominante grassoort (Rz1, Rz2 en Rz3) en 2 met Ruw beemdgras als dominante grassoort (Rb1 en RB2) (zie tabel 005).

Tabel 005 Vegetatietypen o.b.v. VTV2006

Tabel 005 Vegetatietypen o.b.v. VTV2006

Bovenstaande tabel bevat de dijkgraslandtypen zoals beschreven in de VTV2006 in combinatie met de resultaten van een onderzoek van Alterra waarin per vegetatietype 3 kenmerken zijn onderscheiden: bedekking, doorworteling en kwaliteit van de graszode.

  • Bedekking
  • Doorworteling
  • Kwaliteit graszode

In dit protocol staat beschreven hoe volgends de VTV2006 de civieltechnische kwaliteit werd bepaald.

Veel waterkeringbeheerders gebruiken de 13 typen dijkgraslanden, zoals aangegeven in de tabel, voor het beschrijven van de type grasbekleding op waterkeringen. Deze typering wordt ook toegepast ter bepaling van de ecologische waarde van de grasbekleding op de watering waarbij ervan wordt uitgegaan dat W3 (soortenrijke kamgrasweide) en H3 (soortenrijk hooiland) de hoogste ecologische waarde hebben.

Civieltechnische kwaliteit vegetatietypen volgens VTV2006

Op basis van vele metingen in het veld en veel civieltechnische gegevens van de afzonderlijke plantensoorten is van alle hoofdgroepen en vegetatietypen de civieltechnische kwaliteit bepaald (Figuur 012).

Figuur 012. Aandeel van de vier categorieen van de civieltechnische beoordeling per vegetatietype

Figuur 012. Aandeel van de vier categorieen van de civieltechnische beoordeling per vegetatietype (VTV2006) (data: WSRL).

Voor een verklaring van (afkortingen in) de figuur, zie Toelichting op de figuren.

De vegetatie van de meeste proefvakken van de beschikbare monitoringsprogramma’s wordt gerekend tot H2 – minder soortenarm hooiland.Hiervan wordt een groot deel beoordeeld als ‘matig’ . In minder ontwikkelde (H1 of W1) of niet-ontwikkelde vegetaties (Ru ruderaal of P pionier) is de beoordeling slecht of zeer slecht. Alleen in goed ontwikkelde vegetaties (H3 en W3) is de meerderheid civieltechnisch goedgekeurd, volgens de criteria van de VTV2006. Het WBI benadert de beoordeling van de vegetatiekwaliteit anders en er bestaat nog geen aangetoonde relatie tussen het vegetatietype VTV en de civieltechnische kwaliteit WBI.


Andere typologieën

We behandelen kort de typologie volgens Van der Zee en een toekomstige typologie

Van der Zee

Van der Zee onderscheidt 22 vegetatietypen of plantengemeenschappen, ingedeeld in 9 hoofdgroepen [Van der Zee, 1991]. Zie verder Indeling volgens Verruijt en Van der Zee.


Toekomstige typologie

Op basis van alle beschikbare vegetatieopnamen van dijken wordt in de toekomst naar verwachting een nieuwe vegetatietypologie opgesteld waarin alle dijken in Nederland vertegenwoordigd zijn. Deze typologie omvat naar verwachting ca. 26 vegetatietypen, ingedeeld in circa 12 hoofdgroepen.

Alle vegetatietypen zullen zo goed mogelijk worden gekarakteriseerd waarbij niet alleen de vegetatiesamenstelling en -structuur aan bod komen maar ook de betekenis voor de erosiebestendigheid van de dijken volgens het WBI2017.



Determinatiesleutel ter bepaling van de hoofdgroep en het vegetatietype.

Voor de bepaling van de hoofdgroep en het vegetatietype wordt in de toekomst een determinatiesleutel ontwikkeld die wordt verwerkt in een gebruiksvriendelijke app. De hiervoor gebruikte vegetatietypologie wordt gebaseerd op de reeds beschikbare en alle nieuwe vegetatieopnamen op de dijken in heel Nederland. De app bevat verder onder meer foto’s van de belangrijkste dijkplanten (grassen en kruiden) en vegetatietypen en een GPS-functie.