Na aanleg is een goed ontwikkelingsbeheer noodzakelijk voor het erosiebestendig krijgen van de bekleding. We behandelen:

  • Doel
  • Duur
  • Aanpak
  • Werken in fasen of delen
  • Beheerplan
  • Contract

Doel

Het doel van ontwikkelingsbeheer is om zo snel mogelijk een goed gesloten, goed doorwortelde grasbekleding te verkrijgen. De kern van ontwikkelbeheer bestaat uit monitoring van de vegetatieontwikkeling. Afhankelijk van die ontwikkeling worden maatregelen ingezet om het gewenste doel te bereiken. Hiervoor kan worden geput uit een toolbox van maatregelen zoals maaien, klepelen, doorzaaien, bemesten enz.

Een optimaal ontwikkelingsbeheer zorgt voor:

  • Snelle kieming en vestiging van de ingezaaide plantensoorten.
  • Snelle sluiting van de graszode.
  • Ontwikkeling van een goed gesloten, goed doorwortelde, erosiebestendige grasbekleding. Hierbij zijn zowel de soortensamenstelling als de structuur (geslotenheid van de graszode en doorworteling) van de dijkvegetatie van belang.
  • Beheersen van de ontwikkeling van soorten uit een hergebruikte toplaag.
  • Voorkomen van vestiging van ongewenste soorten. Bij een verkeerd ontwikkelingsbeheer of bij het uitblijven ervan kunnen zich problemen voordoen bij de ontwikkeling van de jonge dijkvegetatie en kunnen ongewenste plantensoorten zich explosief vestigen.

In de eerste fase zijn zowel de samenstelling van de gras- en plantensoorten als de structuur van de dijkvegetatie van belang. In een tweede stap kan de waterkeringbeheerder bij het ontwikkelbeheer desgewenst werken naar een soortenrijke vegetatie.

Let op: de ontwikkeling van de nieuwe dijkvegetatie wordt in hoge mate bepaald door de standplaatsomstandigheden, de zaaibedvoorbereiding, de samenstelling, dichtheid en kwaliteit van het inzaaimengsel, de weersgesteldheid. Het ontwikkelbeheer dat op de ene locatie succesvol is, kan op een andere locatie anders uitpakken.

Aanlegmaatregelen die zijn gericht op de ontwikkeling van soortenrijke dijken kunnen effect hebben op de waterstaatkundige functie (kwaliteit grasbekleding, bedekking, doorworteling) van de dijkvegetatie. Bijvoorbeeld door de keuze om met lage dichtheden of niet in te zaaien. Extra inspectie kan nodig zijn.

Jonge zode klepelen en eggen voor ontwikkeling 5 (WSRL)

Recent ingezaaid (WSRL)

Inzaai met D2 op IJsseldijk, geen doorworteling (EurECO)

Inzaai met D2 op IJsseldijk, nog geen doorworteling tussen planten t.g.v. droogte (EurECO)

Duur

Ontwikkelingsbeheer is het beheer en onderhoud in grofweg de eerste 4 jaar na aanleg en inzaai van een nieuwe of verbeterde dijk en zorgt voor een optimale ontwikkeling van de vegetatie. Als de grasmat is gesloten en de gewenste basisvegetatie zich heeft ontwikkeld, kan worden afgebouwd naar regulier/instandhoudingsbeheer. Fliervoet [1992] merkt op dat de ontwikkeling een proces is dat vaak pas op langere termijn de verwacht resultaten oplevert. Na twee volledige groeiseizoenen zijn de eerste resultaten meestal pas zichtbaar en te beoordelen. Deze ontwikkelfase kan dus ook korter of langer duren dan 4 jaar. Een uitgekiend instandhoudingsbeheer moet vervolgens de soortensamenstelling en structuur van de vegetatie in stand houden of via aanvullende ingrepen of natuurlijke processen verbeteren. Het ontwikkelings- en instandhoudingsbeheer beschrijft de beheerder in een beheerplan. Dit beheerplan moet flexibel zijn omdat de vegetatieontwikkeling niet altijd op dezelfde wijze verloopt.

Aanpak

Het ontwikkelingsbeheer van dijken kan bestaan uit maaien, beweiding en uit een combinatie daarvan. Bij ontwikkelingsbeheer past de beheerder meestal maaibeheer toe omdat apparatuur flexibel (op de juiste tijdstippen) en desgewenst lokaal kan worden ingezet.

Beweiden wordt niet aangeraden: grazers zijn selectief en kunnen bij te vroege of intensieve inzet schade toebrengen aan de vegetatie en het nog jonge talud. Machines hebben ook risico’s: ze kunnen de bodem met rijsporen verdichten.

Na de eerste anderhalf of twee jaar na de inzaai is het mogelijk daarna met beweiding te beginnen. De beweidingsintensiteit moet dan echter laag zijn en afgestemd op de productie van het gras. Bovendien moet na het weiden worden gebloot, waarbij ongewenste kruiden worden gemaaid en afgevoerd. In april ingezaaide dijktaluds kunnen beter in augustus van het daarop volgend jaar voor het eerst beweid worden, de in augustus ingezaaide dijken pas na twee jaar na een voorafgaande maaibeurt. De zode en de doorworteling van de bodem kunnen zich in deze periode bij maaien beter ontwikkelen dan bij beweiding. Jonge graslanden zijn tamelijk gevoelig voor betreding, schapen kunnen bovendien door lokaal grazen en de voorkeur voor jonge spruiten de zode overbeweiden [Fliervoet, 1992; Hazebroek&Sprangers, 2002).

Bij een verkeerd ontwikkelingsbeheer of als dit helemaal niet wordt uitgevoerd, kunnen zich problemen voordoen bij de ontwikkeling van de jonge dijkvegetatie en kunnen zich snel ongewenste plantensoorten vestigen. Het is nodig snel in te grijpen als bijvoorbeeld Koolzaad of Raapzaad opkomen op het jonge talud. De beheerder moet voorkomen dat deze soorten zaden kunnen vormen die tot een verdere toename van ongewenste soort zullen leiden. Er moet dan ook tijdig worden gemaaid. Bij een gering aantal exemplaren is het beter om deze met maatwerk / handwerk te verwijderen om zodoende de jonge vegetatie zo weinig mogelijk schade toe te brengen. Zie ook probleemsoorten.

Werken in fasen of delen

Als is gekozen voor een inzaaistrategie in seizoenen of delen moet de beheerder hier in zijn ontwikkelbeheer rekening mee houden. De aanblik van de vegetatie op een talud kan dan sterk variëren en het ontwikkelbeheer wordt hierop aangepast. Dat kan dus onderhoud in fasen of deelvlakken nodig maken.

Ontwikkelingsbeheer waarbij in latere jaren wordt gewerkt aan verrijking met soorten gaat min of meer vloeiend over in instandhoudingsbeheer. Het reguliere maaiwerk is dan leidend en aanvullende ingrepen worden er tussendoor gevlochten.

Jonge zode klepelen en eggen voor ontwikkeling 4 (WSRL)

Jonge zode klepelen en wied-eggen voor ontwikkeling op bodem met weinig organische stof (WSRL)

Jong talud ingezaaid met D2: maaisel is niet afgevoerd, soms nodig voor verrijking (EurECO)

Jong talud ingezaaid met D2: maaisel is ook hier niet afgevoerd, nodig voor verrijking met organische stof (EurECO)

Ontwikkeling en het beheerplan

Om de ontwikkeling te kunnen beoordelen stelt de waterkeringbeheerder vooraf een streefbeeld op dat hij vertaalt naar een beheerplan. Hierin beschrijft hij eerst het ontwikkelingsbeheer en daarna het instandhoudingsbeheer.

Het ontwikkelingsbeheer moet in het teken staan van de ontwikkeling in de richting van het streefbeeld of het bereiken van dit streefbeeld. Dit betekent dat er een keuze moet worden gemaakt welke beheervorm daar het beste bij past. Het is belangrijk dat de beheerder in zijn visie en beheerplan duidelijk maakt dat ontwikkelingsbeheer een flexibele zaak is die maatwerk en tijd vergt, waarbij de beheerder maatregelen kan nemen die normaal gesproken niet de voorkeur hebben (bemesten, klepelen).

De beheerder moet ontwikkeling nauwlettend in de gaten houden en het ontwikkelingsbeheer moet hij vervolgens zo goed mogelijk afstemmen op de gewenste vegetatieontwikkeling.

Inspectie van de grasbekleding moet plaatsvinden vanaf het moment van aanleg en inzaai waardoor ook het ontwikkelingsbeheer kan worden geëvalueerd. Voor de inspectie van de jonge grasbekleding moeten aangepaste criteria worden opgesteld omdat een deel van de paramaters uit de Digigids hier niet voldoen.

Omdat van tevoren moeilijk is in te schatten hoe het ontwikkelingsbeheer er uit gaat zien en wat hiervan de kosten zullen zijn wordt aanbevolen om hiervoor budget te reserveren.

Contract

In een projectcontract wordt meestal slechts summier (in algemene termen) of helemaal niet ingegaan op het ontwikkelingsbeheer (beheer en onderhoud) in de eerste jaren na aanleg en inzaai van een dijk.

In het contract moet het gewenste ontwikkelingsbeheer worden beschreven, waarbij wordt uitgegaan van verschillende ontwikkelingsscenario’s (snelle/trage opkomst ingezaaide soorten, wel/niet ongewenste soorten, etc.). De waterkeringbeheerder kan er ook voor kiezen om dit specifieke werk niet bij de opdrachtnemer van het project neer te leggen, maar dat zelf te laten doen met een eigen onderhoudsaannemer.