Het is van belang de keuze voor zaad te baseren op een beleidsmatige onderbouwing.

Onderstaand gaan we in op:

  • Visie op vegetatieontwikkeling
  • Spontane vestiging of inzaai
  • Zaadbronnen en floravervalsing
  • Kwaliteitseisen van het zaad, ook vanwege de risico’s voor insecten

Visie op vegetatieontwikkeling

Een beheerder zal bij zijn keuze voor een mengsel eerst een visie moeten opstellen voor de beoogde vegetatie en de termijn waarop die moet zijn ontwikkeld. Publieke roep om bloemdijken kan leiden tot de keuze voor kleurrijke ‘carnavalsmengsels’ die weinig te maken hebben met erosiebestendigheid, gebiedseigen soorten, duurzaam beheer en biodiversiteit. Maar er kunnen ook redenen zijn om daar wel voor te kiezen.

Denk bij de visie o.a. aan:

  • de waterstaatkundige eis (erosiebestendigheid of niet);
  • de termijn waarop een doelvegetatie moet zijn ontwikkeld;
  • soorten die passen bij de omstandigheden;
  • soorten i.r.t. het inzaaitijdstip;
  • éénmalige inzaai of inzaai in fasen;
  • volvelds zaaien of zaaien in vlakken waarbij later verspreiding plaatsvindt;
  • floravervalsing, d.w.z. bronnen die gewenst zijn (inlands en wilde soorten) of ongewenst zijn (buitenlandse of doorgeteeld materiaal);
  • de toekomstige beheervorm;
  • nevendoelstellingen (nectar).

Wanneer de visie is ontwikkeld, is het belangrijk om hier duidelijk over te communiceren: schets reële verwachtingen en vraag om geduld als dat nodig is.

We gaan nader in op de beheervorm.

Het inzaaimengsel voor dijken moet worden afgestemd op het toekomstige gebruik en beheer. De soortensamenstelling in weidepercelen (standbeweiding of extensief) verschilt van die in hooilanden of weidepercelen die kortdurend intensief worden beweid.

De karakteristieke en trouwe soorten van de hooilanden en de weilanden met wisselbeweiding kunnen worden gebruikt bij de samenstelling van nieuwe inzaaimengsels. Het gaat hierbij zowel om de grassen als om de kruiden. De verhouding van de hoeveelheid grassen en kruiden in het inzaaimengsel bepalen grotendeels de verhouding van het aandeel van de uiteindelijke grassen en kruiden in de nieuwe dijkvegetatie omdat de spontane vestiging van soorten traag verloopt. Op de pagina’s over dijkflora en vegetatietypologie staat meer informatie.

Spontane vestiging en ontwikkeling

De beheerder kan ook kiezen voor het minder of niet inzaaien. Fliervoet [1992] beschrijft het ontwikkelen van de zode uit een hergebruikte toplaag. Bij een spontane ontwikkeling van de vegetatie raakt een dijk in normale omstandigheden in ongeveer dezelfde tijd begroeid als bij inzaaien met een grasmengsel (p. 48). Maar het resultaat verschilt sterk. Pionierssoorten zoals Herik, Klaproos en Reukloze kamille zullen in eerste instantie domineren. Na de eerste maaibeurten verandert de vegetatie sterk, de pionierssoorten verdwijnen en al in het tweede seizoen zal er overgang naar gras-kruidenvegetatie plaatsvinden. Dit blijkt een geschikte methode te zijn om bij een lage belasting van het talud natuurherstel te bevorderen. Voorwaarde hiervoor is wel dat in de gebruikte grond zaden aanwezig moeten zijn die zo een kans krijgen zich te vestigen.  Bovendien stelt dit eisen aan ontgraven en tussendepot, aanleg en ontwikkelingsbeheer.

Sýkora en Liebrand [1987, p. 118-119] beschrijven de volgende aspecten van spontane vestiging van soorten:

  • Spontane vestiging is slechts mogelijk als er in de onmiddellijke omgeving een zaadbron bevindt.
  • Het verspreidingspatroon van de zaden hangt af van de hoogte en concentratie van de zaadbron, het verspreidingsvermogen van het zaad (gewicht, vleugels, pluimen, stekels e.d.) en de effectiviteit van de verspreidingsmiddelen (lucht, water, dieren e.d.).
  • Het temporele aspect: hierbij gaat het om variaties in wanneer het zaad rijp is, de tijdsduur hoelang de plant het zaad vasthoudt, de verschillen in tijd dat het zaad kiemkrachtig is en/of goed blijft in de bodem.
  • De potentie van de nieuwe locatie voor zaden om daar tot ontwikkeling te komen.

Hierdoor kan het komen dat zaden uit het inzaaimengsel niet tot ontwikkeling komen en andere, spontane wel.

Floravervalsing

Voor het behoud van nationale en regionale genetische variatie is het aanbevelenswaardig om lokaal gewonnen zaden te kiezen. Dat kan door als beheerder zelf zaden te (laten) winnen. Daarnaast is het goed mogelijk via hooitransplantatie soorten aan te voeren in bestaande vegetaties.

Veel soorten zijn beperkt in hun landelijke verspreiding. Dit geldt met name voor de kruiden in de grasbekleding op dijken. Inheemse plantensoorten groeien van oudsher op locaties met specifieke standplaatsomstandigheden die aansluiten bij natuurlijke bodemspreiding. Ze zijn daaraan optimaal aangepast. Vooral de zeldzamere soorten stellen hoge eisen aan hun standplaatscondities waardoor ze slechts op speciale locaties voorkomen. Plantensoorten inzaaien op locaties waar ze van oudsher niet voorkwamen wordt floravervalsing genoemd.

 Floravervalsing is het verschijnsel dat plantensoorten die niet van nature op een locatie groeien, daar toch tot vestiging en ontwikkeling komen door niet-natuurlijke oorzaken.

Wanneer een soort met z’n specifieke verzameling eigenschappen die is geërfd van de ouders (genotype) wordt verplaatst naar een locatie waar de soort al voorkomt maar met een ander genotype, kan kruising een verzwakking van de soort opleveren. De soort is immers niet meer optimaal aangepast aan z’n standplaats. Ook dit wordt tot floravervalsing gerekend.

Daarom wordt afgeraden zeldzame soorten op te nemen in de inzaaimengsels. In het algemeen wordt ook gesteld dat zaden niet verder mogen worden verspreid dan ca. 30 km vanaf de bronlocatie om floravervalsing te voorkomen. Hier kan specifiek naar worden gevraagd bij de leverancier.

Leveranciers stellen zaadmengsels samen uit bronnen die zij kiezen. De ene haalt goedkope mengsels van standaard soorten uit het buitenland. De andere koopt voor standaard of specifieke mengsels soortenrijke mengsels graslanden ‘op stam’ waaruit vervolgens machinaal de zaden van de aanwezige grassen en kruiden worden gewonnen. Maar omdat soorten verschillende bloeitijden hebben is het moeilijk om alle soorten bij eenmaal oogsten tegelijkertijd te verzamelen en de juiste mengverhouding te bepalen. Daarom moeten de vroeger of later bloeiende soorten achteraf worden toegevoegd aan het mengsel.

De universele basismengsels zijn in een breed milieu toepasbaar. Zeldzame of kritische soorten worden bewust achterwege gelaten om plantengeografische patronen zo min mogelijk te verstoren.

Schaminée waarschuwt voor het introduceren van doorgekweekte of met herbiciden besmette zaden waarvan de bloemen geen nectar bevatten of desastreus zijn voor de insecten:

“Als je een mengsel hebt van ecologisch geteeld zaad van wilde bloemen die vanouds in Nederland voorkwamen, lijkt er niets aan de hand. Maar ook die inheemse soorten worden jarenlang doorgekweekt, waardoor de genetische diversiteit afneemt – plantaardige inteelt. Het zijn bovendien wel inheemse soorten, maar van een uitheemse variant. Een Nederlandse zandraket zit genetisch anders in elkaar dan een Poolse. Sterker nog: parnassia uit de duinen verschilt van parnassia uit de Achterhoek.” [Dijksterhuis, 2020]

Kwaliteit zaad – zaad met risico’s voor insecten

Voor de kwaliteit van zaad let de beheerder op de volgende aspecten. Daarbij hoort ook aandacht voor gevolgschade aan insecten.

Het zaad:

  • dient te voldoen aan de kwalificatie A van de genoemde rassenlijst en geleverd te zijn met aanhangcertificaat en NAK-plombe;
  • is ziektevrij;
  • mag niet zijn bewerkt met stoffen die schadelijk kunnen zijn voor insecten.
  • moet planten opleveren die fertiel zijn: met meeldraden en stampers, voor zover dat bij die soort hoort. Doorgekweekte planten kunnen namelijk steriel zijn omdat de stuifmeeldraden ontbreken[ Van Rooijen in AD 2020].
  • van het kruidenrijke mengsel dient van Nederlands autochtoon materiaal te zijn.

Wanneer de waterkeringbeheerder het zaad zelf heeft ingewonnen, moet hij letten op een goede opslag zodat het zaad gezond en krachtig blijft.