Diepte

Inzaaidiepte is afhankelijk van het soort zaad. In de literatuur staan verschillende adviezen.

De beste inzaaidiepte is voor de meeste gewassen 1 tot 3 cm [Fliervoet, 1992; Locher&Bakker, 1991]. Andere bronnen adviseren een diepte van 0,5-1,5 centimeter omdat graszaad relatief weinig reservevoedsel bevat om vanuit de bodem omhoog te komen (Barenbrug). Of geven een duidelijk onderscheid in soorten: Engels raaigras op 2-3 cm. en Veldbeemd op 0,5 cm [Vreeke, 1988]. Ook klinkt de simpele vuistregel van een diepte die 2x de zaadlengte moet zijn.

Veldbeemd is een zogenaamde lichtkiemer, net als kruiden zoals Reukloze kamille of Peen, die zonlicht nodig hebben om tot kieming te komen. De zaden van deze soorten kunnen het beste handmatig worden gezaaid nadat het overige zaad is ingebracht. Hierbij bestaat wel een gerede kans op zaadverlies als gevolg van vogelvraat en wind. Een mengsel van zaad met vochtig zand verkleint deze kans. Wanneer de zaden van de lichtkiemers onder de grond worden aangebracht, is de kans op kieming klein en kan de verhouding van soorten in het uiteindelijke grasbekleding anders uitpakken. Zo kan vanuit een zaadmengsel Engels raaigras dominant worden, doordat deze zaden dieper onder de grond nog wel kunnen kiemen.

Daarnaast is ook de grondsoort waarin wordt gezaaid belangrijk voor de inzaaidiepte. In zware klei moet een bepaald zaad veel ondieper worden gezaaid dan in de lichte zandgrond. Te diep zaaien in kleigrond kan veroorzaken dat er niets opkomt doordat de kiemen niet krachtig genoeg zijn om door de vaste klei te groeien. Te ondiep zaaien in zandgrond kan veroorzaken dat het zaad bij de eerste de beste regenbui wegspoelt of dat het gekiemde zaad verdroogt.

Voer het werk dus uit in overleg met de leverancier en uitvoerder.

Methode

Er bestaan veel soorten zaaimachines, al dan niet in combinatie met grondbewerking voor het zaaibed.

De meest toegepaste methode is machinaal inzaaien met behulp van een brede zaaimachine met veel zaaipijpen naast elkaar. Voor de zaaipijpen zit een sleuventrekker die de grond een stukje opzij legt. Het zaad valt via de zaaipijp in de sleuf op de grond. Vervolgens wordt met zaaikouters een laagje grond op het zaad gebracht en wordt de grond aangedrukt met een drukrol. De sleuf wordt zo diep getrokken dat op een vaste ondergrond gezaaid wordt.

Andere machines verspreiden het zaad over het maaiveld.

Lichtkiemers kunnen het beste (met de hand) op het maaiveld worden gezaaid nadat het andere zaad is ingebracht. Volg hierbij de instructie van de leverancier.

Door trillen en schudden van de zaaimachine kunnen de zaden van het inzaaimengsel in de zaadbak ontmengen: het ene type zaad zakt naar onderen, het andere trilt omhoog. Dit komt door verschillende gewichten en vormen van de zaden. Het kan leiden tot een vlaksgewijze, ongelijke inzaai waardoor lokale monoculturen van Engels raaigras en Witte klaver kunnen ontstaan (vooral bij inzaai van D1). Er zijn leveranciers die adviseren in de zaadbak vochtig zand bij te mengen om dit probleem te voorkomen of handmatig inzaaien. Ook is het mogelijk voor dit doel om kapot gewreven graankorrels bij de mengen. Opdrachtnemers zullen niet enthousiast zijn over bijmengen van zand in elk type machine vanwege de kans op slijtage.

Startgift bemesting

De beheerder maakt de keuze of een mestgift wenselijk is. Bemesting is een ingewikkeld samenspel van voedingsstoffen, zoals stikstok, fosfaat en kalium (N-P-K) en allerlei bodemfactoren die bindend of variabel door het jaar kunnen zijn. Het effect verschilt bovendien voor grassen en kruiden. Een eventuele (start)gift hangt samen met de uitgangssituatie van de bodem en het doel van de vegetatie.

De beheerder kan verschillende wegen kiezen:

  • Een standaard mestgift, veelal toegepast bij een agrarische doelstelling van de zode.
  • Een uitgekiende mestgift op basis van bemonstering vooraf.
  • Afwachten hoe de grasbekleding zich na inzaaien ontwikkelt. Alleen bij concrete problemen eventueel een uitgekiende mestgift toedienen op basis van een brede probleemanalyse waarbij ook andere factoren worden beoordeeld. Het voordeel hiervan is dat er geen onnodige meststoffen wordt toegepast. Het risico dat ontstaat, is een eventueel tijdverlies bij problemen.

Bij een holle zode, maagdelijke grond of toekomstig agrarisch gebruik kan een mestgift wenselijk zijn. Bedenk daarbij:

‘Het gebruik van een startbemesting bevordert vooral de opkomst van hoogproductieve soorten zodat de concurrentiekracht van deze soorten ten opzicht van langzame groeiers toeneemt. Een startbemesting is daarom niet aan te bevelen wanneer in een gunstige periode wordt ingezaaid en een gevarieerde dijkvegetatie van zowel grassen als kruiden wordt nagestreefd. Maar houd er rekening mee dat de temperatuur en vochtvoorziening (weergesteldheid) vaak van nog groter belang zijn. Wanneer dijktaluds na half september worden ingezaaid nemen de groeiomstandigheden af en kan een startbemesting van 40 kg N / ha worden overwogen om voor de naderende winter het talud zo snel mogelijk begroeid te krijgen. Een hogere N-gift vergroot de kans op doodvriezen in de winter.’ [Fliervoet, 1992, p. 28].

Bemesting is altijd maatwerk en het is raadzaam vooraf een bodembemonstering uit te voeren en alleen een uitgekiende mestgift toe te dienen. Bedenk wel:

  • Onderzoek alle mogelijke oorzaken zoals verdichting, vocht, schaduw enz..
  • Zijn er alternatieven om een situatie te verbeteren, zoals het laten liggen van maaisel om het organisch stofgehalte te vergroten?
  • Hoe duurzaam is de bemesting: welke situatie schep je dankzij de bemesting en vereist die nog latere giften?
  • Over de relatie tussen grassen en meststoffen is veel bekend. Rond kruiden is een kennisleemte.