Het zaaibed is de bovenste zone van de toplaag die wordt bewerkt en gebruikt voor het zaaien.

Voor inzaai en voor doorzaai geldt een ander zaaibed. Ook kan de beheerder voor het verminderen van ongewenste kruiden werken met een vals zaaibed. De drie beschrijvingen volgen hieronder.

Inzaai

Voor een zo goed mogelijk kiem- en vestigingssucces voor inzaai is het van belang aandacht te besteden aan een goede zaaibedbereiding. De zaaibedbereiding van de toplaag is de laatste bewerking van de bodem, voordat wordt gezaaid. De zaaibedbereiding vindt meestal plaats door middel van het oppervlakkig opruwen van de bodem met behulp van een rotorkopeg of triltandcultivator. De zaaibedbereiding van zavel- en kleigronden vindt meestal met rotorkopeg plaats; lichtere zavelgronden worden met een triltandcultivator zaaiklaar gemaakt.

Bij het zaaibed zijn twee zones te onderscheiden:

  • De losse toplaag dient voor een betere luchttoetreding en een snellere opwarming.
  • De ondergrond zorgt voor capillaire aanvoer van vocht voor de kieming van het zaad. De overgang naar de losse toplaag verbreekt de capillaire opstijging en dat remt de uitdroging. [Locher&Bakker, 1991].

Zaaibed met losse en bezakte laag (naar Locher&Bakker 1991)

De ondergrond dient niet te los of dicht te zijn, in oude landbouwtermen heet dat de ‘bezakte’ ondergrond. Dit kan op verschillende manieren worden bereikt. De eerste methode is het enigszins verdichten van de aangebracht toplaag door het aanrijden met machines, wat op dijken zal plaatsvinden. De andere methode is het laten verstrijken van de tijd waarbij na ploegen of aanbrengen een natuurlijke bezakking optreedt, mede door neerslag. Beide keuzes hebben voor- en nadelen zoals te weinig of te veel verdichting of het opkomen van pioniersoorten.

Op slempgevoelige gronden mag het zaaibed niet te fijn worden gemaakt omdat anders verslemping en korstvorming kan optreden die de kieming en vestiging kan verhinderen.

Het Handboek Melkveehouderij [2020/21, p. 3-13] zegt over het zaaibed het volgende:

  • De afdekkende laag grond moet los en kruimelig zijn.
  • Het maken van een zaaibed en het zaaien kan ook in één werkgang plaatsvinden. Dit kan met een zaaicombinatie, bestaande uit een grondbewerkingswerktuig en een opgebouwde zaaimachine.
  • Voer alle grondbewerkingen sanel achter elkaar uit om uitdrogen van het zaaibed (vooral bij vroeg zaaien) zo veel mogelijk te beperken. Bij droge omstandigheden en bij een grover zaaibed is het zinvol om de grond na het zaaien met een rol aan te drukken.

Doorzaai

Bij het doorzaaien van grassen en kruiden bestaat het ‘zaaibed’ uit de bestaande zode. Het is een uitdaging om in bestaand grasland kruiden succesvol te zaaien omdat de concurrentie bij de ontwikkeling groter is. Het zaaibed moet daarom optimaal worden voorbereid om de kieming en vestiging te ondersteunen. Veel licht en ruimte op de bodem bevordert de kieming en het vestigingssucces [Janssen&Verhoef, 2021]. Maai de bestaande vegetatie zo kort mogelijk zodat graspollen of stevige kruidachtigen het zaaien met de machine niet belemmeren. Voer het maaisel zorgvuldig af.

Voor de uitvoering kan de beheerder kiezen uit de volgende varianten.

  • Het zaad op het maaiveld strooien volvelds of heel specifiek met de hand op open plekken.
  • Behandeling met de wiedeg. In het onderzoek van Jansen en Verhoef op agrarisch grasland bleek verschil in succes in situaties met lang en met kort gras. Bij lang gras is het succes gering: 5%. Bij kort gras is het effect groter, met een succespercentage van 20%.
  • Een smal sleufje maken in de zode en het zaad daarin aanbrengen.
  • In de toplaag smalle stroken frezen en die strook als zaaibed gebruiken. De freesdiepte is variabel in te stellen. Deze methode is beproefd in de landbouw, maar voor zover bekend nog niet op dijken. In het onderzoek van Jansen en Verhoef bleek deze methode op agrarisch grasland de meest succesvolle.

Deze onderzoekers adviseren doorzaai in het najaar en het gras zo kort mogelijk maken voorafgaand aan het zaaien.

Vals zaaibed

De beheerder kan ongewenste pioniersoorten eventueel ook tegengaan door gebruik te maken van een vals zaaibed. Pioniersoorten zijn doorgaans eenjarig en kiemen op kale grond zoals Vogelmuur, Klaproos en Kamille. Een vals zaaibed is een zaaibed, waarin nog niet gezaaid wordt. Door een vals zaaibed te maken gaan de aanwezige zaden kiemen, waarna deze kiemplanten op een zonnige, droge dag weg worden geschoffeld. Pas hierna wordt er gezaaid. De periode tussen het maken van een vals zaaibed en het zaaien moet wel 4 tot 5 weken zijn.

Het is ook mogelijk de behandeling enkele keren te herhalen. Waak er wel voor dat bij het schoffelen de grond niet dieper geroerd wordt omdat er dan weer nieuwe zaden omhooggehaald worden die kunnen ontkiemen [Cruydt Hoeck, 2021].

Onderzoek heeft aangetoond dat het resultaat zal afhangen van een aantal factoren, zoals de bodemtemperatuur die nodig is voor het ontkiemen, de verschillende kiemstrategieën van verschillende soorten die aanwezig zijn in het zaaibed, de omstandigheden in het jaar, de periode dat het vals zaaibed er ligt en de wijze waarop wordt geschoffeld [Bleeker&Van der Weide, 2001].