De standplaatsomstandigheden zijn van invloed op de samenstelling en de structuur van de vegetatie en zijn bepalend voor de ontwikkelingsmogelijkheden (potentie) hiervan. De belangrijkste standplaatsomstandigheden zijn de bodemsamenstelling van de toplaag en de expositie en helling van de dijktaluds. De samenstelling van de bodem in de toplaag speelt een belangrijke rol bij de ontwikkeling van de dijkvegetatie en de uiteindelijke samenstelling en structuur ervan.  De belangrijkste aspecten hierbij zijn:

Deze aspecten moet worden bepaald met behulp van een bodemonderzoek aan de hand van een vast protocol.

In het veld zijn ook met het blote oog verschillen waarneembaar: bijvoorbeeld het vochtgehalte van de bodem:

Normale standplaats (foto Digigids)

Natte standplaats (foto Digigids)


Verbanden tussen standplaatsomstandigheden en andere menu’s.

De voedingsstoffentoestand wordt bepaald door het beheer (veel, weinig of geen afvoer van bodemnutriënten), activiteit van het bodemleven (omzetting organisch materiaal naar opneembare voedingsstoffen), atmosferische depositie (met name input van stikstof) en eventuele bemesting.

De keuze van het bodemmateriaal voor de toplaag bij aanleg is zowel van groot belang voor het kiemings- en vestigingssucces van de ingezaaide soorten als voor de uiteindelijke samenstelling en structuur van dijkvegetatie.

De wijze waarop de toplaag wordt aangebracht (verdichting, gerijptheid, beschikbaarheid voedingsstoffen) is vooral van invloed op het kiemings- en vestigingssucces van de ingezaaide soorten en daarmee voor de verdere ontwikkeling van de dijkvegetatie.

De frequentie en intensiteit van het beheer moet zijn afgestemd op de biomassaproductie van de dijkvegetatie.

De biomassaproductie van de dijkvegetatie, en dus de frequentie en de intensiteit van het beheer, zijn afhankelijk van:

  • de voedingsstoffentoestand van de toplaag (bepalend)
  • de granulaire samenstelling van de toplaag (ook van invloed)

Welk materiaal wordt toegepast in de toplaag van de dijken wordt grotendeels bepaald door de civieltechnische eisen  die worden gesteld aan het bodemmateriaal. We adviseren de beheerder er voor te kiezen dat de toplaag niet uit lutumrijke klei bestaat, maar uit een bodemsoort die een goede standplaats biedt voor de vegetatie.

De waterkeringbeheerder kan besluiten een bepaalde (lichtere) grondsoort toe te passen op onderdelen (bv. binnentalud) van de dijk ten einde een andere functie dan (louter) de waterstaatkundige te behartigen (bv. bloemdijk).