Bij een versterkings- of herstelproject hanteert de beheerder ontwerpuitgangspunten. De beheerder dient na te denken over de volgende thema’s bij het opstellen van de eisen aan de grasbekleding:
– Sterkte en taludzone
– Fauna
– Onderhoud
– Biodiversiteit
– Klimaatontwikkelingen
– (Mede)gebruik

Sterkte en taludzone
Het doel van de grasbekleding (toplaag, doorworteling en vegetatie) is het leveren van erosiebestendigheid volgens de ontwerpeisen. Daarnaast worden andere beheerdoelen meegenomen bij het bepalen van de doelvegetatie, afhankelijk van de functies en waarden van de grasbekleding.
Grasbekleding bevindt zich bij belasting in de golfklap-, golfoploop- of overslagzone. De eerste twee zones pendelen over het talud afhankelijk van de waterstand en golfcondities. Door het Hoogwater Beschermingsprogramma is aangegeven dat de erosiebestendigheid van grasbekledingen, of soortenrijke bekledingen, in de golfklapzone waarschijnlijk weinig relevant is voor de overstromingskans en daarmee weinig invloed heeft op het HWBP. Op locaties waar een groene bekleding in de golfklapzone te handhaven is, zijn de golfhoogtes in extreme condities relatief laag (orde grootte < 60 cm.). Dit komt doordat de kans op samenvallen van maatgevende waterstanden en extreme windbelasting statisch klein is. De grotere golven zullen dus bij lagere waterstanden optreden, waardoor het risico ook kleiner is. Reststerkte van een kleilaag of kleikern is in dat geval naar verwachting voldoende om een overstroming te voorkomen.
Eisen die het ontwerpinstrumentarium stelt, zijn te vinden in de Handreiking Ontwerpen met overstromingskans [RWS, 2017]. Hoofdstuk 3 van die handreiking gaat in op eisen aan de grasbekleding op het binnentalud in relatie tot het overslagdebiet. Er staan o.a. bepalingen over kleidikte, geslotenheid van de zode en aanwezigheid van objecten met een grensmaat van 0,15×0,15 m2.
Voor de beoordeling van de grasbekleding gelden de eisen uit het WBI2017. Op de Helpdesk Water is meer te vinden over het instrumentarium.

Fauna
Bij het ontwerp en de aanleg van de dijk let de beheerder op het risico van graverij groot en graverij klein (zie Digigids). Hierbij kan een relatie bestaan met de toplaag en grasbekleding. De samenstelling van de toplaag en grasbekleding kan namelijk een aantrekkende werking hebben op ongewenste (gravende) fauna. Enerzijds doordat de voedingswaarde van het gewas (eiwit, zaad) bepaalde dieren aantrekt, bijvoorbeeld muizen. Anderzijds omdat een minder zware toplaag gemakkelijker is voor het graven van holen. Toename van biodiversiteit in vegetatie levert in het algemeen ook een grotere diversiteit aan bodemleven op. Maar dat hoeft niet een groter gewicht aan bijvoorbeeld wormen (voedsel mollen) te betekenen. Er kunnen best meer mollen in een dijk zitten met een lagere biodiversiteit. Daar staat tegenover dat taluds met een lichtere toplaag minder scheuren en muizengangen vertonen.
Bepaalde fauna kunnen door graverij een probleem gaan vormen voor de erosiebestendigheid. Het dijkvak moet zodanig ingericht en ingepast te zijn, dat deze niet wordt aangetrokken. Let op de inrichting qua vegetatie, beschutting en nabijheid van oppervlaktewater. Dit valt verder buiten de scope van deze handreiking.

Onderhoud
Hoofddoel van de waterkering is dat die veiligheid biedt tegen overstromen, dit is een sterkte-eis. Maar er kunnen en mogen schades ontstaan die geen directe bedreiging vormen voor de veiligheid. Het onderhoud van de waterkering is gericht op beide componenten. Als de sterkte-eis ondergeschikt is of niet bestaat, is het ook vanuit het oogpunt van onderhoud niet gewenst dat schade aan de bekleding optreedt. Elke schade vergt namelijk aandacht tijdens calamiteiten en toename van schades leidt tot hogere herstelkosten. In deze Handreiking maken we bij het onderhoud geen onderscheid tussen de sterkte-eis of andere beweegredenen. Uitgangspunt is: er is een gesloten of open grasbekleding nodig. Zie beheer algemeen, beheer specifiek en uitvoering.

  • Houd voor de uitvoering van het onderhoud ook rekening met de inrichting van de waterkering:
    Staan er geen obstakels in de weg?
  • Hoe is de aansluiting of overgang van niet-waterkerende objecten naar de grasbekleding en is die strook goed te onderhouden of is daar een overgangsconstructie nodig?
  • Is het talud niet te steil waardoor specifiek materieel nodig is voor het onderhoud?
  • Hoe scherp zijn kniklijnen en overgangen en ontstaat hier het risico van beschadiging door cyclomaaiers, maaibalken e.d.?
  • Kunnen maaimachines de dijk op- en afrijden, zijn er op- en afritten?
  • Is er onderlangs een onderhoudsstrook voor verzamelen en afvoeren van maaisel? Voldoet de draagkracht van het onderhoudspad of de beheerstrook?
  • Komen er geen watergoten of wegdrainages in het talud uit die natte plekken, erosie of vervuiling opleveren?

Biodiversiteit
Met het natuurbeleid wil de Rijksoverheid de Nederlandse natuur behouden en versterken. En de verschillende plant- en diersoorten (biodiversiteit) behouden. Ook bij dijkversterkingen moet dit doel worden meegenomen. Bestaande dijken kunnen een grote verscheidenheid aan biodiversiteit herbergen. Daarbij gaat het om het complexe systeem van bodem, flora en fauna dat vaak na tientallen jaren in een evenwichtssituatie is gekomen. Dit unieke dijksysteem op zich draagt al bij aan de diversiteit op nationale schaal. Dijken kunnen bovendien vallen onder beschermende regiems, zoals Natura-2000 gebieden, Nationaal Natuur Netwerk en dergelijke.
Het ontwerp moet de biodiversiteit breed benaderen, waarbij niet alleen wordt gekeken naar de soortenrijkdom van de vegetatie, maar ook naar de grasbekleding in de context van de omgeving en naar maatregelen die aanvullend zijn. Aanvullende maatregelen zijn mogelijk in de vorm van struweel, hagen of bossages op dijkzones die dat toelaten. Bepaalde struiken en bomen kunnen een rol spelen voor honderden insectensoorten [Moraal, 2011]. Het toepassen van middelen zoals bijenhotels en zandbakken moeten worden beoordeeld op wenselijkheid, beheer en onderhoud op langere termijn en invloed op de erosiebestendigheid.
De omgeving speelt een rol bij het opstellen van de vegetatiedoelen: hoe ziet het aanliggend gebied eruit en op wijze bepaalt die de dijkvegetatie? Aanliggende landbouwpercelen kunnen kwetsbaar zijn, bijvoorbeeld een zaadveredelingsbedrijf, of juist profiteren van de insecten, zoals fruitteelt. Zie Visie, (functie-)eisen en streefbeeld.

Klimaatontwikkelingen
De klimaatontwikkelingen leiden niet alleen tot langduriger of intensievere neerslag, maar ook tot langere periodes met droogte. Bij de ontwerpuitgangspunten moet rekening worden gehouden met een zekere mate van droogteresistentie van te kiezen vegetatie. De kennis hierover is in ontwikkeling.

(Mede)gebruik
Tot slot is de keuze voor (mede)gebruik een sterk bepalende factor bij het ontwerp. Deze bepaalt welke doelvegetatie de beheerder kiest.

Zie verder: Visie, (functie-)eisen en streefbeelden.